$ TEXT_EXPL_XML
PRomotheus, gelijk Ovidius verhaeldt, hadde Jupiter bedrogen, door
twee Osse-huyden, daervan hy hem, welke hy wilde, liet kiezen, d'ee-
nen: ook was met vleys, d'ander met beenen gevult. Jupiter verkoos de huyt met bee-
nen: ook was Jupiter toornigh dat hy hem 't Godlik vuur uyt den Hemel had ge-
stolen: dies liet hy hem aen den Berg Caucasus vast aen een kruys nagelen, daer
hem van Jupiters Adelaer des daegs zijn Lever gepict word,die hem des nachts
wederom wast, also dat hy een gedurige wrake der Goden, om zijn bedreven
misse-daed, in zijn ziele moet lijden. Hier door wilden zy uytbeelden, dat nie-
de Goden zijn wel traegh totte straf, maer zy komen zeeker en gewis. De God-
loozen, zeyd een oud Schrijver, worden of inwendigh of uytwendigh gestraft.
Inwendigh, om dat haer de straffe der zonde altijdt voor de oogen is, en diezel-
ve als gestadigh in haer zieleomme-voeren, zoo dat haer de Hel-Goddinnen niet
met brandende fackelen, maer niet persinge en benauwtheydt der conscientie ver-
volgen. De uytwendighe straffen schijnen ons lichter, vermits ons dieselve niet
lange quellen. Maer gelijk ons dunkt, dat die sieker zijn, die met besmettinge
of verrottinge geplaeght zijn, als die met koortze of eenige andere ontstekinge,
daer nochtans de koortzen en slechte gebreken meest uytsteken, also worden de
Godlooze met langzame treden der verdraeghsaemheyd inde eeuwige dood gewor-
pen. Deze wast de Lever weder aen die altijd afgeknaeght wordt, en voelt nim-
mer rust. O ellendige! die dezen Rechter word overgelevert, daermen zo dik-
wils stervende, nimmermeer sterft.
Ey ziet! hoe Prometheus van Jupiter verstoten,
Zo jammerlik en droef aan Caucaso gesloten
Den Echo gaande houd, en, met een droef geween,
Ah my! ah my! ah my! wekt driemaal achter een:
De Arent nimmer rust, ziet hem eens lever pikken,
En als een greetich aas het rouwe vleesch inslikken:
Den Goden lastert hy, en wenscht in dee nood
Dat hy zijn leven hier magh eynden door de dood:
Maar 't is vergeefs geklaaght, zijn lever langs hoe wreder.
Is 's daaghs des vogels roof, en groeyt by nachte weder.
,, Onzaligh is hy wis, die 's Hemels gunste derft,
,, Die stervende altijt leeft, en levende altijd sterft.
,, O Mensche! spiegel u, verzoen in tijds Gods toren,
,, Want als de booze sterft zijn straffe eerst werd geboren:
,, Al zwijgt Godt hier een wijl, zoo word nochtans het end
,, Der boozen, op het lest 't begin van hunne ellend.
Siet hier Iapeti zoon om vuur-dieft gebonden,
Wiens Lever groeyd des nachts, en werd des daeghs verslonden.