$ TEXT_EXPL_XML

WAt de Oude Zedevormers by deze stille staende Molen hebben willen te kennen geven, zult ghy lichtlikken verstaen. Zy versierden dat de Goden zeer langzaem waren om te straffen, en met groote lankmoedigheidt de zonden en boosheden der menschen verdroegen; maer dat zy ten laetsten met groote gram- schap ontstaakken, alzoo dat zy daer in de Molens gelijk waren, die, al ist datze gedreven, snel om loopen, dat niemant haren loop kan stutten. Daerom zeyden de oude wijsheits beminders, dat Godt sachtlikken totter wrake treedt, doch dat hy de lankzaemheit der straffe daer na mette swaerte der zelven vergelt. Sy- nesius zeide zeer wel: de Godlikke nature gaet langmoedelik en sachtelikken voort; en daerom bedachten zy mee, dat de Goden al soetjens met hare straffe volgden, en den boosdoenders kort op de hielen waren: want, zeyden zy, de Goden hebben wolle voeten en yzere handen, om te kennen te geven, dat zy wel sacht aenquamen, maer hart toegrepen. Daerom dient ons de spreuke des Oudtvaders Gregorii wel in ach- tinge te nemen, wanneer hy zeit: Niemant versuymt de lankmoedigheit Gods, die anders zo veel te scherper gerechtigheit in zijn oordeel zal gebruyken, als hy te vooren groote lijdzaemheit bewezen heeft. Bernardus zegt mee; O Vader! ik begeere van u, dat doch u toorn, waer mee ghy de Sondaers kastijt, alleene zy een kinderlikke kastydinge, en niet een gramschap, waer mee ghy diezelve uit den Lust- hof sluit. Laet ons daerom gewaerschout wezen, dat de lankmoedicheyd Gods by ons niet worde inde wind geslagen, want het is zeker, dat der boozen straf en oor- deel wel wat verlengt, maer niet vry gelaten, de tijd wel wat uitgestelt, maer niet weggenomen zal worden. Want de boosdoenders dragen zo haest niet de schult in hare borst, of zy voelen te gelijk de straf op hare schouders: door dien Nemesis, de Goddinne des wraex, aen hare slippen geketent is.

;

DE Molen die een wijl staat stille zonder wielen, Gelijk de wrake Gods die 't quaad heel zal vernielen. De Molen slapet wel een wijle windeloos, Soo doet ook Godes wrake, al zijn wy noch zo boos: Maar als de storm-wind blaast als oft hy waar verkorselt, De zwaren Molen-steen al 't graan tot gruys vermorselt: So ook, als zich verheft de gramschap onses Godts, Werd al het quaad vermaalt, al zijn wy noch zo trots. ,, De stille Molen dan ons allen zy eenbake, ,, Dat wy de goetheid Gods erkennen voor zijn wrake: ,, Want of zy schoon vertoeft, zoo zal zy doch in 't left ,, Gelijk den blixem gaan van 't Oosten tot in 't West. ,, Die Gods langmoedigheit dan hier, na 's vleeschs behagen, ,, Heeft achteloos versuymt, zal 't veel te spa beklagen, ,, Wanneer de gene, die hem vriendlik heeft genood, ,, Met een wreet aangezicht, hem in den afgront stoot.

SEQ 7 PARENT embstma_10911 HIM MNE ; GUL ; EMBLEMS ; ILL_BOOK URL_IMAGE embstma_10911_pic022.jpg TIPE emblempictura NEXT embstma_10911_emblem009 IIHIM MNE ; GUL ; EMBLEMS ; ILL_BOOK CAPTION_EN Four men gesticulating; a windmill as a symbol of God's wrath which may come slowly, but inescapably SOURCE_FILE embstma10911.xml MOTTO_NL_NORM Siet hoe de wrake Gods (op dat wy niet en dolen) Hier vergeleken werd by eenen stillen Molen LINK_FACSIMILE embstma_10911_fac022 TYPE emblem pictura IC 22C3114 ; 25H155 ; 25I41 ; 31A2523 ; 31D14 ; 41A34 ; 47D31 ; 57BB131(+3) ; 86(SIET HOE DE WRAKE GODS, OP DAT WY NIET EN DOLEN, HIER VERGELEKEN WERD BY EENEN STILLEN MOLEN) PREV embstma_10911_emblem007 MOTTO_NL

Ziet hoe de wrake Godts (op dat wy niet en dolen) Hier vergeleken werdt by eenen stillen Molen.

ID embstma_10911_emblem008 CHILDREN CHILDREN_SQRT 0