$ TEXT_EXPL_XML
AESculapius wort gestelt voor de vinder der kruiden, en dat hy geboren is
uit het doode Lichaem van Coronis, zijn konst zoo toegenomen, dat
hy den dooden Hippolitum weder levendigh zoude gemaekt hebben, als mede
Androgreum de zone van Minos, die van de Athenieuzen verslagen was, &c.
Zy hebben hier mee deze konste als Godlik willen uytbeelden, gelijk zy in haer
zelven grootlikx is te loven. Want de Mediçijn-konst is van Godt ontfangen.
Seggen de Hebreen niet dat Raphaël de Ert-Engel deze konste hebbe gebruikt?
ken en gebreklikke genezen? heeft hy die kracht ook zijnen Discipulen niet nage-
laten? De Koningen hebben deze konst zelve geoeffent, als Sabor en Giges: Sa-
bid Koningh van Arabien, Mithridates van Ponto, Hermes Koningh van
Egypten, Mesua, des Konings Damasi Neve, behalven een groot menichte van
geleerde mannen, als, Avicenna, Plato, Aristoteles, Hippocrates, en veel andere
uitnemende Philosophen. Alzo datmen de oprechte konst der Medeçijne wel mach
in grooterwaerde houden. De Wyzeman zeid: Eert den Medeçijn om des noots wil-
le; want de Heere heeft hem geschapen, en de Medeçijne komt van den hoogsten,
&c. De Heere laet de Medecijne uit der aerden wassen, en een verstandig mensch
veracht'er niet.
AESculapius ziet, terwijl hy heen en weeder,
Door bosch, en beemden zoekt naar kruiden, groen
en teeder,
Die dienstig voor den Mensch, en heur gezondheid zijn,
In een vermaaklik dal, beplant met zoete wijn,
Een Harder, rap van len, en kloek, en stout van zinnen,
Een wreeden Basilisck bevegten, en verwinnen,
Door middel van een krans, gestrengelt om zijn hooft,
En beid'zijn slapen heen. Den grooten Artz belooft,
An d'Ed'le knaap, zijn gonst, en krijgt den krans door smeken.
Den fellen Basilisck, vol gifs, en looze treeken,
Merkt wat'er was geschied, en voegt zich wer ten strijdt.
Maer, och! den Jongelingk, was kracht en leeven quijt
Zo haest hy 't Monster zag in d'opgespalkte oogen.
Den Wijzen Aesculaap, quam vaardig, om 't vermoogen
Van zijn verkregen krans te proeven: wreef en streek
Den Harder met'et kruidt zo lange, tot 'et bleek
In bloos verandert was; en 't leeven, heel volkoome,
In 't uitgestrekte lijf, wierdt op een nieuw vernoome.
Een zaak verwondrens waardt; en boven mijn verstant;
Dat zulk een grooten kragt het kruid is in geplant.
Siet hoe een zeldzaam kruyd ( ô wonderlik bedrijf!
Het leven weder brengt in een gesturven lijf.