$ TEXT_EXPL_XML
DE Poëten hebben verçiert, hoe dat Cupido, door zijn vierige pylen, alle Go-
den en Goddinnen tot liefde en minne had ontsteken; maer, dat hy Diana (om
dat zy gestadigh bezigh was in 't wilt na te jagen en te schieten) niet en kon tref-
fen. Hier mede gaven zy kloeklik te verstaen, dat de dertele geilheid en heete min-
ne niet was te betomen, dan door gestadige arbeid en naerstigheid, en datze daer te-
gen niet meerder wierd gekoestert en gequeekt, dan door ledigheid, lekkerheid en
overdadigheid. Lucanus zeidt, dat de ledigheidt den mensche maekt losse sin-
nen, dat zelve is klaerlik in Sardanapalo te sien. Ook zeid Catullus zeer wel:
En trotze Steden zijn vergaan met all'haar pracht.
Lycurgus, die andersints een zeer gestreng Wet-gever was, heeft geoordeelt,
om de ionkheid van Ledigheid af te leiden, dat zy hun zouden begeven tot arbeid,
tot jagen, tot loopen, tot zwemmen, op dat zy gewent zouden worden honger,
dorst, koude en vorst te verdragen. En als wy te recht willen insien wie dat door
ledigheid te zijn eer en dapperheid ter zijde gestelt heeft, sie aen zelve de Romeinen, en
onder andere de voortreflikke Mannen Scipio ende Lilius: als zy aen de strand
gingen om mosselen en schelpen te zoeken, en tot alle speelen te begeven. Doch men
moet hier in ook onderscheiden dat het heel anders is met eerlikke Ledigheid, die ook
den Burgeren is toe-gelaten, als met trage en vuile lyigheid, die des Duivels oor-
kussen is.
SIet hoe Diana spoeyt, met heure wakk're brooskens,
Langs 't schoon gebloeide veld, bezaait met roode Roos-
kens;
Ziet hoe zy rent en loopt door 't schaduwende bosch,
Geboogt, gepijlt, gelaarst, geladen met den tros,
Den koppels hitzende aan het Wilt met open kelen,
En laat in 't gouden haar de zoete windtjes spelen:
Hier vangt zy een Hinde, en ginder een wilt Hert,
Dat met zijn hoornen in de takken is verwert;
Hier eenen snellen Haas, die, met zijn ommekijken,
Niet mocht, in zijnen loop, den ranken Hond ontwijken;
Nu kruist zy 't donker wout, nu schuilt zy eens in 't lis,
Dat ondertusschen zy Cupidoos doel-wit is,
Zy niet eens merken kan, de wijl zy langs hoe styver
Volherd in d'eedle jacht, en groeyt in dezen yver.
,, Want wie de luyheid haat, en neerstigheid bemind,
,, De liefde in zijnen vlijt, en arbeid overwind.
Ziet hoe Vrou-Venus wicht, met zijn gevlerkte sprieten,
De naarstige Diaan kan quetzen, noch door-schieten.