$ TEXT_EXPL_XML
MOmus, de looze spotter wordt hier gezeit der Goden dans te bespieden, en
alles wel nauw door te zien, nochtans, op dat hy wat zoude te voorschijn
brengen, berispten hy, dat het gekraek van Venus schoentjens den dans hadde be-
dorven. Hy most immers wat zeggen. Maer Mome, ghy blijft hier by noch niet,
maer ghy derft wel hooger klimmen, en de werken Godts lasteren, al-eens of die
zijn konst by u behoorde te leeren: want ghy dorst wel zeggen, dat Godt in den
Mensche naer-gelaten hadde, het gene aldermeest van noode was: door dien hy
hadde behooren in zijn borst een venster gemaekt te hebben, daer door men had
behoorde binnen en buiten te konnen keeren, omme te mogen zien wat gebrek dat-
ter in 't hooft ofin 't lijf schuilde. En dat de kuiten niet gestelt waren in plaetze
van de scheenen, want de scheenen, zeyde hy, voelen al te haest wanneer zy ge-
quetst worden. Hy berispte mede dat des Stiers oogen niet en waren gestelt op zijne
hoornen, daer zy noodigh waren, &c. Plutarchus bestraft dezen berisper en zeid:
Waerom vereischt ghy, Mome! vensters, om d'een des anderen hert te mogen
aenschouwen? De wijn ontsluit die dat zelve niet over-genoegh, wanneer zy het
mom-aensicht van onzen voorhooft trekt? Doch wy weten dat alle Godes wer-
ken volmaekt, en dat dezer vuilen berispers tadelingen by Gode een gruwel zijn.
DE Goden quamen t'zaam in 's Hemels opper-zaal,
Om nutten, met geneucht, een heerlik avondmaal:
De rey was niet zo haast vergadert, of men dekt'er
Des tafels breede rugh, met Ambrosijn en Nectar,
Men schikten zich ten disch, men at, men dronk, men loegh,
Geen dingen hier gebrak, daar was van als genoegh:
Het maal was nauw gedaan, men ging de zinnen scherpen,
En op den zoeten toon van fluiten en van Herpen
Aanvangen eenen dans: vrou-Venus, zoete snol,
Die maakten meen'gen spronk, en luchte kabriol:
Maar Momus, in den hoek, (die altijds kloek en wakker
Eens anders hofken wied, en zijnen eigen akker
Van 't onkruid laat vetreen) riep luid, en leelik, dat
't Gebraak van Venus schoen den dans bedorven had.
,, Dus waar de spotter zit, men zijne tongh hoort lipsen,
,, Hy vind in yeders doen yets dat hy magh berispen.
In Momi scheel gezicht geen dingen zijn volmaakt,
Al schort maar aan den dans dat Venus toffel kraakt.