$ TEXT_EXPL_XML
HOe sober sit hier de geile Venus, met haer dertele kind Cupido, en warmt
zich vast by de kolen? Doch ziet ghy wel dat Ceres en Bacchus al danssen-
de van haer scheiden, en laten haer alleen zitten? daerom zeggen sy, dat zy kout is,
wanneer de anderen van haer zijn. Hier-mede gaven de Poëten te verstaen, dat
de dertele Venus met geen dingen meer worde gesterkt en gekoestert, als door Ce-
res; dat is door 't lekker eten, en door Bacchus, dat is door 't lieflijk drinken: Maer
dat sy niet meerder in den toom konde gehouden worden, als door soberheid en va-
sten: want daer is niet waer door wy ook naerder tot Godt konnen op-klimmen,
vert de ziele, trekt het gemoet om hoog, onderwerpt het vlees de geest, verspreidt de
dampen des herten, lescht den brandt der wellusten uit, en steekt de keersse der sui-
verheidt an. Daerom zeide Prudentius:
't Gemoet met spijs, noch drank beswaart,
Godt beter in zijn hert bezwaart.
Socrates vermaende datmen alzo de spijze most gebruiken; dat noch het lic-
haem, noch de ziele daer door beswaert worden: want, zeide hy, vele menschen le-
ven hier alleen, op datze eten en drinken: en 't schijnt ofze hier toe op de wereldt ge-
komen zijn om van haren buik een afgod te maken. Deze loopen in hare wellusten
heen, en swemmen in alle dertelheid. De Nature heeft doch haest genoeg; maer, de
gulsigheit en overdadigheidt verbergt sich nu onder een eerlikke rok, daer nochtans
't lichaem alles verteert; hier door komen de wellusten en dertelheden. Vegetius
zeit: 't Lichaem dat een sachte tabbert gewent is, en kan niet wel de ring-krage en
't harnas verdragen; 't hooft dat een warme mutze gewent is, valt den helm be-
swaerlik. De tedre en sachte hand kan dat scherpe hecht niet wel voeren: alzo is
ook een lichaem dat van drank en kost opgevult is: 't veracht alle Godsalige over-
wegingen, 't verwerpt alle hardigheit des berouws en boetvaerdigheit, en verdraegt
geen strengigheid. 't Is zeker, dat de grootste deugden versmoort moeten leggen,
wanneer de Wellustigheid mach heerschen en gebieden.
VRou Venus, en heur Wicht, hier in den hoek gescholen,
Zich wermen aan den haart, een roosten voor de kolen:
Vermits Vrou Ceres, en Heer Bacchus beidegaar,
Al dwalende langs 't veld, gescheiden zijn van haar.
Maar wat betekent doch, dat zy, van een gescheiden,
De Moeder met heur Kind hier laten met hun beiden?
,, Ist niet om dat het vuur der geilen Minne-lust
,, Door soberheid verkout, en gantsch wert uitgeblust?
,, Want daar van Graan en Wijn is alderhande volheid
,, Men aldermeest bespeurt der liefden brand en dolheid:
,, Dus: wie de wellust haat, zijn lijf houde in bedwank
,, Door soberheid van spijs, en matigheid van drank.
Hier zit de Minne-moer, met heuren Zoon verzelt,
Aan 't vuur, t'wijl Bacchus dwaalt met Ceres langs het velt.