$ TEXT_EXPL_XML
HIer zit Pallas, de Goddinne der wijsheidt, in 't net van Listicheidt en Gierig-
heid, gevangen. Daer by de Oude wilden te kennen geven, dat de Wijzen,
hoe wijs zy ook willen schijnen, door deze twee looze Vrouwen wel konnen bedro-
gen worden. De Poëten verhalen, dat Jupiter, Danaen, die van haer Vader Acri-
lius zo troulik besloten was, door een goude regen, wel wiste te bedriegen; gelijk by
Ovidium en Horatium te lezen is. Cicero zeid zeer wel, en de dageliksche erva-
rentheidt leert ons 't zelve genoeghzaem, datter niet is zo heilig, of het kan ge-
schent, niets is zoo vast, of het kan verwonnen, niets zoo voorsichtigh, of het kan
door geldt verleidt worden. Phillipus van Macedonien vragende 't Orakel door
wat wijze hy Grieken zoud t'onder brengen? kreegh voor antwoordt, dat hy niet
ook niet hare vyanden met geschenken vereert, en hare overwinninge door 't goud
verkregen? Hoe schadelik deze Geld-zucht is, [*] en een Moeder aller bederfnisse,
konnen getuigen, die door haer eigen profijt; geheele landen in ondergang brengen,
en de wetten om keeren. De Vrome hebben haer dit niet te belgen, onder welke ik
ook stel de trouwe Alcamencs, die gevraegt zijnde, waerom hy de geschenken, die
die van Messenia hem aenboden, had geweygert? antwoorde zeer wel: Zo ik die
had aengenomen, dan hadde ik immers plat tegen de wetten gezondigt, die dat wel
klaerlik verbieden. Daerom zeide Augustinus: De Gierige, als hy meend winnin-
ge te doen, dan verliest hy sijn zelven, en als hy wat meent te vangen, dan werd
hy zelve in 't net getrokken.
DE kloeke Listigheidt, twee-aansichtigh en wakker,
En d'arme Gierigheid (die, van eens anders akker)
Heur leege schuren vult, en in heur diefsche tasch
Het goud steekt, datze steelt, uit heures naasten kas)
De wijze Pallas zelf zoo aardig kosten lokken,
Tot dat zy hadden 't net heur over 't hooft getrokken.
,, Want dat de Gierigheidt de Wijsheidt wel bedrieght,
,, Is een gemeene spreuk, die door de monden vlieght.
Dit is wel eer gesien aan Midas, toen hy haakte,
Dat al'et tuig fijn goud mocht werden dat hy raakte:
Dees bede hem gewerd, en was hem licht vergont,
Greep hy een stocxken op, het werd al goud terstond,
Of greep hy eenen steen, hy wierd in goud herboren,
Nam hy een hand vol graans, hy had al gulden koren,
En dobbert hy in 't nat, of greep hy eenen boom,
Hy had een gouden eyk, en eenen gulden stroom.
De gek was heel verblijd, en lachte dat 'et schatert,
En gaf an d'Echo werk, die al zijn doen besnatert;
Maar als hy aan den disch zal eten ('t is te vreemt!)
Word al de spijze goud die hy in handen neemt.
En als hy drinken zal, (wel hoe wil 't nu gelukken?)
De Wijn in goud verkeert, en, met geheele stukken,
Hem in het keel-gat valt, dies roept hy weder aan
De Goden, die uit liefd'hem van dit leet ontslaan.
,, Dies dikwils Gierigheid de Wijdheidt heeft bedrogen,
,, En 't goud heeft in den nood nooit yemand helpen mogen.
Ey ziet! wat grooter Visch is hier in 't net gevischt:
't Is Pallas, door 't bedroch van Gierigheid, en List.