$ TEXT_EXPL_XML
DEze beeldenisse vertoont zeer levendig hoe d'Arme, of om beter te zeggen, de
Wijze, de Fortuyn of het Avontuur niet vreest. Want de Oude, zoo Wijsgie-
rige als Dichters, hebben deze Goddin zonderling verheven. Wy willen hier alleen
kortelik verhalen, hoe de wijze door het Avontuur niet wordt beroert, maer selve
de Fortuyne bindt, dat is te seggen, daer op niet past. Want Bias wierd niet be-
weegt dat hy zijn schat en have verliet, zonder iet daer van (als zijn vroom ge-
moed) mede te dragen: noch de dertig Tyrannen (daer van Socrates omringht was)
konden die stantvastige ziele niet beroeren. De Wijze is tegen alle aenvallen ge-
smaedt, noch armoede zijn voet doen struikelen. Want hy bezit alles gerust, ge-
stadigh, zedigh en verdraeghlik: Des zey Antisthenes zeer wel. O dat zijn mu-
ren, die in de brave gemoedern onwinnelik worden gemetzelt. Daerom getuigt
Epictetus, dat een wijs man van hem zelven tot alles bequaem is, en boven de
Fortuyne verheven: welke gelukzaligheidt, gelijk Seneca schrijft, Gode alder-
naest, en eygen is.
DAar in een biezen hut zich d'Armoede geneerde,
Daar 't hooft de zoldering, en daar de voeten d'eerde
Geraakten te gelijk, en daar een vuuren plank
Te zamen was de disch, en ook de zitte-bank:
Daar 't goudtgeel kaf, en stroo zich op de vloer verspreeden,
Tot rustbedde, in de nacht, voor afgesloofde leeden.
Daar 't water was den drank, en drooge visch het broot.
Daar lavenis en spijs, gehaalt wierdt uit den sloot.
Daar, an den kouden heert, de tanden moesten klappen,
En daarmen liep bekleedt met duizenderley lappen.
Daar Voogd, en Huiswaart was een oude, en blindeman,
En daarmen leven moest van 't geen de vrouwe span.
Daar vijfthien Zonen en drie jone Meiskens waren,
Daar 't al by daagh te bed most om de keers te sparen,
En daarmen nauwe een bieze, of daarmen nauwe een lamp
Ontstak, wanneer daar 's nachts qum d'een oft d'ander
ramp.
En daar noch niet te min 't Genoegen wierd gevonden,
Daar lagh het Avontuur, die Lichte-schoy! gebonden.
,, Want daar 't genoegen is, al valt schoon d'armo zuur,
,, Daar vreestmen geen Fortuyn, noch wank'lende Avon-
tuur.
Die arm is, en genoegt met zijn ontfangen lot,
Het wank'lende Avontuur, in zijne strik bespot.