$ TEXT_EXPL_XML
PErillus, de scherpzinnige Werk-meester, had, om den Tyran Phalaridi te beha-
gen, een nieuwe maniere van straffen bedacht: want hy maekte een Stier die
hy met een deur kon opsluiten, daer in de misdadige, dan met een schrikkelik geluit
eens brullende Stiers, ellendig zijn leven liet: Voor zijn gifte en belooninge, zeide
de Tyran, most hy eerst zelve bezoeken of het geluit ook goed zou zijn, liet hem over
zulcx levendig daer in steken, en met vyer verbranden. Hier mede worden wy
vermaent gee raedslagen, tot ons even-naestens schade en plage te bedenken: want
den steen valt gemeenlik den werper op 't hooft, of die den put voor andere graeft,
schout. Want de Leeuw, krank wezende, worde van alle Dieren bezocht, behal-
ven van het Vosken: De Wolf (des Voskens vyandt) blies den Koning alles quaets
van hem in, als hebbende ten hoogsten Crimen begaen: het Vosken op 't mat ko-
mende, hoorde juyst deze woorden. De Leeuw 't Vosken ziende, worde zeer toor-
nig: en hy verzoekende oorlof om te spreken, zey: Genadighste Koning, wie van
allen hier tegenwoordig is uwe Majesteyt zoo vorderlik geweest als ik? want ik
heb vast het land omgeloopen, en over al gevraegt op dat ik raed tot uw ziekte
mocht vinden: De Leeuw begeerig om zijn genezinge te vernemen, zey, dat hy den
raed an hem zou openbaren; doen zey de Vos: Heer Koning! ghy moet den Wolf
het wel levendig af-stroopen, en daer mee uw oude borst bekleeden, dat zal u volko-
men genezen. De Leeuw 't Vosken geloovende, heeft den Wolf gedood. Doen lach-
te het looze Vosken, zeggende: zoo most het gaen, op dat de quade raedslagen op des
Raed-gevers kop mochten vallen.
PErillu, die volmaakt, en op het aller blootste
Den gieter Miron zelf, in zijne konst, na bootste,
Goot eene koop'ren Stier, die hy, tot roem en pronk
Phalaris den Tyran, met veel eerbieding, schonk,
Op hoop van geld en gonst te winnen van den Koning;
Maar als hy in het Hof verscheen, om zijn beloning
t'Ontfangen, voer de Vorst dus uit: Wel kloeke geest,
Wat wonders kan men doen met dit gehoorent beest?
Heer Koning, antwoord hy, de Stier heeft in zijn zyde
Een vierkant venster, daar men, tot een meerder lyde,
De booze in warpen zal, naar hun verdienste en straf.
Wanneer de quade nu, in dit metaale graf,
Met hitte wert gepijnt, dan zal hy 't beest doen brullen,
En met een luid geloey de ruime lucht vervullen.
Wel an, sprak den Tyran, 't is best ghy 't eerst bezoekt.
Men greep hem by den kop, hy heeft zijn konst vervloekt.
Maar 't klagen was vergeefs, 't recht moest'et end doorgron-
den.
De doode Stier heeft hem al levende verslonden.
,, Debk dan, konstenaars, dat God geen konst verschoont;
,, Maar dat hier ieder Mensch, word na zijn werk, geloont.
Merkt hoe rechtvaardigh dat Perillus raakt ter doodt
In zijnen kop'ren Stier, die hy voor and'ren goot.