$ TEXT_EXPL_XML
DIe den standt des besorgden den rijcx te recht wil overwegen, neem voor de oogen
deze zinrijke bedieninge van den Tyran Dionysius, en de vleyende Damo-
cles. Want Dionysius, willende an Damocli betoonen, dat het zo zoet noch ge-
lukkig niet was het juk des Scepters te dragen, stelde hem in zijnen Koninglikken
Throon, met een dreigende swaert boven zijn hoofd: doen kond hem noch het Ko-
ninglik Paleis, noch de Keiserlikke Kroon, noch de Scepter, noch de menichte der
Trawanten, noch het lieflikke Muzijk bewegen dien last langer op zijne schoude-
ren te dragen, maer verzocht daer van verlaten en ontslagen te zijn, walgende
van deze gewaende gelukzaligheid. Hier mee heeft Dionysius willen te kennen
geven, hoe ellendig het leven der Koningen is wijlze altijd met zorg en vreeze be-
vangen zijn: want hy plach dikwils te zeggen dat hy niet geloofde dat yemandt
zoo uitzinnigh zou wezen (indien hy wist wat swarigheid de Kroonen en Scep-
ters by haer hebben) die dezelve van de aerde zoude op te rapen. Want Seneca zeid
zeer wel: Dit is eerst een goede Koning die aller een dienstknecht is. Willende daer
mede zeggen, dat des Konings zorge over allen moet strekken, en hoe haer glants
te heerlikker schijnt, dat haer last hun ook te swaerder drukt. Hy worde noch zel-
ver daer na uit zijn Rijk verdreven, en was balling te Corinthen, daer hy het
Schoolmeesters-ampt bediende.
En nimmermeer (God wouds!) in 's Princen hof gebreket,
Acht Dionysium als eenen aardschen God
Gelukkich over zeer, schier zonder mate oft slot.
Waarom de Koning hem met purp'ren kleed'ren schoone
Als eenen Koningh çiert, jae 't voorhooft met een kroone
Hem heerelik omdrukt, en hem in handen geeft
Den Koninglikken staf, daer 't al voor schrickt en beeft.
Den nieuwen Koningh hy dus laat ter tafel zetten,
Diens rugh geladen is met alderley banketten,
Men speelt een zoet Muzijk, en wekt den Echo zelf
Met eenen zoeten toon in 't marmoren gewelf.
Maar t'wylen men dus juicht in 't midden der gezangen,
Laet Dionysius een stalen zwaart ophangen
Aan eenen zijden draadt, recht boven 't hooft gewis
Des genen die zich waant dat hy gelukkig is:
Maar ziende nauwe om hoog, verschrikt hy zo voor 't dreigen
Van 't opgehangen zwaart, dat hy zijn hooft moet neigen,
En roept, Heer Koning, ! verlost my uit den druck,
Ik kieze mijnen staat, en laete u dit geluk.
,, Aldus en magh hy niet geacht gelukkig wezen
,, Die stadigh is gepijnt met duizenderly vreezen,
,,'t Palleys dat zijnen kop hoog in de lucht verheft,
,, Eer dan eens herders hut den krommen blixem treft.
Een schriklik Reuze-swaardt hangt, an een zyden draadt,
Geduurig boven 't hooft van 's Konings achtbre staat.