$ TEXT_EXPL_XML
SEneca verhaelt datter een Koning was, die, van ouderdom afgemat zijnde,
't jok des Rijks niet langer zocht te dragen, zijn drie zonen by hem riep, uit
welkers verkiezinge hy wilde oordeelen wie bequaemst zou wezen om 't Rijk te re-
geeren: over zulkx stelde hy hun drie vogelen: te weten, een Adelaer, een
Sperwer, en een Sneppe. Wanneer de oudste den Adelaer verkoos, de tweede den
Sperwer, de derde de Sneppe, oordeelde hy, wijl de Adelaer de grootste en felste, ook
Koning aller vogelen was, dat deze al te groots en hoogmoedig zoude wezen, over
zulx onbequaem de Regeringe te bedienen. Van de Sperwer sprak hy, dat die al
Sneppe gekoren had, zettede hy tot navolger in zijn plaetze: want, zey hy, dit
dier is de ootmoedighste van allen, en hy moet goedertieren en ootmoedig zijn, die den
Koninglikken stoel der eeren mach beklimmen. Och! dat nu zo zeer op de Deugd,
als veel-tijdts op de persoonen, gezien wierdt, men zou over al meer Recht en Ge-
rechtigheidt speuren. Daerom zeide Agathias Veste: Men behoort na de kleede-
ren of na andere uitwendige verçierzelen niemand tot Koningen te helpen vorde-
ren, maer die komt voor alle dingen toe dat verheven worde, namelik die nederig
is, die recht en billikheidt oeffent, noch betamelikke dingen niet veracht, en die zijn
lusten zoo weet te matigen, dat zy de ziel met wijsheid sterken. Procopius spreekt:
Dit is het ampt van een goed Koning, dat hy mee-waerdig en zachtmoedig is,
want de trotze en hoogmoedige worden veracht, en van niemandt bemind.
DE wijze Seneca ons meld, en gaat vertoonen
Van eenen Koning die zijn drie bedaaghde Zonen,
Heel van verscheiden aard, drie vog'len stelde veur,
En gaf van alle drie elk een den willekeur:
Op dat hy ramen mocht wie 't beste van hen lieden
Het Koningrijk voort-aan zou heerschen en gebieden:
En dragen zo den last, die zijnen ouden dagh
Veel kommerlikker viel, dan zy te voren plagh:
Den Arent d'eerste koos, den Koning aller Vogels,
Den tweede koos naar hem den Sperwer snel van vlogels,
Den lang gebekten Snep, verkoos de jonxste Zoon,
Dies hem de Vader schonk de Koninglikke kroon.
,, Hy die door Ootmoed en Vernedertheid van geeste
,, Verkoos het minste loth, verkreeg het aldermeeste.
,, Want wie door Hoogmoed klimt, die naardert zijnen val;
,, En die zich zelfs verkleent, gemeenlik klimmen zal.
,, Dies in nedrigheid verslijt zijn vlinde leven,
,, Al schijnt hy laag te zijn, zo is hy hoog verheven;
,, Hy is den val naar by die hooge zich verheft,
,, En die zich houd om laag den blixem niet licht treft.
Met twee Put-emren kan men 's werelds loop afmaalen.
Het laage klimt om hoog, het hoog moet schandig daalen.
Neroos Tucht-meester ons hier schilderd naar het leven,
Hoe hoogmoed werd verkleent, en ootmoed hoog verheven.