$ TEXT_EXPL_XML
DE Poëten verhalen datter een Gulden, Silvere, Copere en Yzere Eeuw ge-
weest is. Van deze Yzere Eeuwe voert het Regiment de Helsche Godt Plu-
to, die de Helle en alle zijn snoo gespuis beroert en omme-keert, en zijn bloedige Bel-
lona overal uit zend, om alarm te blazen, en met vreeze al de werelt te benau-
wen. Deze tijdt brengt de snoode Pluto voor den dagh: en hem gebreken geen
stoke-branden om dit vyer, over al, met zijne blaesbalken, tot de wolken, te doen
opvliegen, en waer 't mogelijk, den Hemel te beroeren. Wy mogen deze tijdt wel
by de Yzere Tijd gelijken, daer in men doch niet hoort als van Krijgh en Krijghs-
swaerden, het gedobbel der trommen, en 't heldere geschal der trompetten en
oorlogs-bazuynen, 't schijnt dat alle Recht en Billigheidt wederom ten Hemel is
gevlogen, en dat alles hanght aen 't Recht der roovende Krijghs-knechten. Men
hoordt niet als van moorden, branden, verjagen, stelen, verkrachten, en wat de
Godloosheid voor Duivelsche totebellen mede brengt. Ach dat wederom die tijd
mocht komen! en dat zoete Vrede haer hooft mocht opbeuren, hoe aengenaem
zou die den Christenen te gemoet gaen? Maer ghy, Christen Prinçen! leght een-
mael uw wapenen neder, en wilt u ingewanden doch niet meer verscheuren, wendt
u wapenen tegen die uw aller verderf zoekt, en gebruikt veel liever vrede, op dat
ghy van dien grooten vyand der Christenen niet wordt overvallen, en voor slaven
in zijn woeste Tartarien gevoert
DOen 't yzer quam in 't licht uit 't ingewand der aar-
den,
Klep, klep, het aanbeeld ging, men smeden niet dan swaarden;
Rechtvaerdigheyd uit vrees wer naar den Hemel trekt,
Het aardrijk wert terstond met menschen bloed bevlekt:
De Krijgh werd opgequeekt, men ging de zinnen scherpen,
En met den blinden Mol een aarden wal opwerpen,
Het Kalfs-vel wert gerekt, men maakten slocx een trom,
De mensch werd loos in 't quaad, en in de wijsheid dom:
Men kreeg een bonte vlag gewonden om de stengen,
Men ging vierkantig 't heyr in zijn slag-orden brengen.
Dan horen onraad blies, de trommel sloeg alarm,
De vreeze werd verdooft, en 't bloed in 't herte warm;
Het eene heyr verwan, het ander is gevloden,
Het veld werd heel bedekt met menig duizend dooden,
Men rieper niet dan moord, daar was een groot geschreeu,
En so quam op der hand de dull'en Yzeren Eeuw'.
Ziet hier den yz'ren Eeuw, daer d'eene d'ander tergt,
De Wereld is vol strijds, en heel in 't quaed ver-ergt.