$ TEXT_EXPL_XML
SOcrates was een Philosooph van Athenen, die door de uitpraek van Apollo
de alderwijste genoemt wierd: deze was altijd een en diezelve man, want nooit
was zijn gezicht door tegenspoed droevig, noch door voorspoed vrolik. Hy heeft
op een tijd gehad twee vrouwen, Xanthippen en Myrtonem die altijd op mal-
kanderen twisteden en keven, doch hy haer sotheid bespottende, zey, hoe vanghe
ghy om my zoo harden strijd aen? ik die zo mismaekt ben, hebende een platte
neuze, kalen kop, bultige schouderen en kromme beenen. Gevraegt zijnde van
Alcebiade: waerom hy zo fellen en bitzen wijfken by hem hielde? antwoorde,
Maer, zey Alcebiades, nochtans is de kakelachtigheid van uw Xanthippe niet
te verdragen. Toen antwoorde Socrates, moet ghy het kakelen, en queken der
ganzen en eenden niet verdragen? Dat is geen wonder, zey Alcebiades, maer
laetze vry kakelen die my de eyeren leggen en jongen voortbrengen. Laet dan, zey
Socrates, Xanthippe ook wat kakelen, want ik heb ook schoone zonen van haer.
Gellius zeid, wanneer Socrates lang en geduldig het quaedt spreken van Xanthip-
pe had verdragen, en zy ten laetsten hem met water op zijn kop goot, sprak hy
zonder eenigen toorn, maer lachende: Ik wist wel als Xanthippe begint te donde-
ren, datter dan korts regen wil volgen. Zopyro oordeelde uit de gezichtkenning,
dat Socrates heel tot wellust was genegen. Het geen den grooten Philosooph ga-
ren toestond. Maer, zey hy, ik heb, door de krachten mijner ziel, 't natuurlik ge-
brek weg genoomen. Hy heeft veel treflikke leer-jongeren gehad, onder andere
Plato, dan alle Wijsgieren hebben na zijnen name Socratische Philosophen wil-
len genaemt zijn, &c. Der vrouwen dertelheid heeft deze arme man wel beproeft,
want zy ribzakten hem vast na haer eygen believen.
Die een qua Vrouwe heeft, genoeg heeft aan zijn wee;
En d'armen Socrates (eylacen!) heefter twee,
Hy isser me gescheept, hy moeter ook me varen
Door zoo veel holle zeen, door zo veel water-baren;
d'Een Tessche is hallef blind, en d'ander Feecx is leep,
d'Een slaat hem met een roede, en d'ander met de sweep.
Noch was hy wel te vren, hoe zeer zy op hem brulden,
Zijn herte is onbeweegt, end'alles kan hy dulden:
Kneust d'een hem met een vuyst, en d'ander met den voet,
Zo houd hy evenwel een ongequetst gemoedt:
Hy lijd, zy slaan; hy swijgt, zy voeren heuren snater;
Hy zit op 't drooge land, zy gieten hem met water:
Ten laatsten zegt hy eens: wanneer de locht verbolgt
Den regen in 't gemeen naar eenen donder volgt.
,, Aldus geduldigheidt met zoete en zachte zinnen
,, Heur kruys verlichten kan, en tegenspoed verwinnen:
,, Hy wreekt zijn leedt genoegh, die stille met verdrag
,, Niet zijnen smaadt en wreekt, daar hy't aan wreken mag.
Ziet Socrates (eylaes!) besprongen van de boosheid
Der Wijven, met gedult verwinnen hun Godloosheid.