$ TEXT_EXPL_XML
DE Oude hebben den mensche by een verkeerden boom vergeleecken, want,
zeyden zy, alles wat de boom voortbrengt komt uit de wortel, en wat de
mensche voortbrenght kom uit het hoofd, brachten dus al d'eygenschappen
die de Poët genoegzaem uitdrukt aerdigh over een: zo dat deze vindinge niet
onaengenaem zal wezen. En als wy 't wel overwegen, wat is doch de men-
sche? ja wat is de mensch niet? niet is hy ten aenzien van zijn swakheid,
groot is hy, ten aenzien van zijn Schepper. Wie kan hem genoegh over den
mensch verwonderen, ja wie kan 't uitspreken? Augustinus zeidt; De men-
over het draeijen der gesternte, en vergeten haer zelve, zonder daer over te
verwonderen. Isser wat wonderlikker als het menschen hooft? bevat dat niet
alle zinnen daer alle andere ledenvan boven tot beneden na moeten luisteren? 't
hooft uitwendig te schouwen, isser wel eene onder vele duizenden, die den anderen
zoo gelijkt, datmen 't door een klein teiken niet zou onderscheiden? wat krachten
heeft het ooge niet, en wie kan zeggen door wat konst het zelve zoo wonderlik
is geschapen? alles te beschrijven is onmogelik: in de tastelikke deelen, ik wil de
andere verzwijgen, komen de geleerste niet overeen. De meeste Anatomici zeg-
gen datter zoo veel leden in den mensch zijn alsser dagen in 't jaer, te weten 365.
Hippocrates en Galenus zeggen datter 248 gebeenten in den mensch gevonden
worden: in 't hooft 59. in de borst 67. de armen en handen 61. de voeten 60. In
somma, wy mogen wel zeggen met David: Heere! zoud ik al uw weldaden ver-
halen die ghy my bewijst, zy zijngrooter dan ik kan uitspreken. Ja al waren onze
leden in tongen verandert, des grooten Scheppers lof kan niet volprezen zijn.
HEt redelikke Dier, de Mensch, verkeert genomen,
Gelijkt wel eenen Boom, hoe aardig wil dit komen:
De Boom spruit uit der aard, de Mensch uit 's moe-
ders graf;
De Boom groent en verdort, de Mensch neemt an, en af;
De Boom zijn takken heeft, die hy zoo wijt uitspanden,
De Mensch zijn voeten, en zijn armen, en zijn handen;
De wortel is de deughdt, die al den Boom aenkleeft,
De Mensche, zonder hoofdt, geen kracht of leeven heeft.
Wanneer 's Booms wortel treurt, zo hangen al de bladen,
Des Menschen leden, is het hoofd met druk beladen:
De Boom die lange staat op 't lest werd oud en krom,
De Mensche ziet na 't graf in zynen ouderdom;
Waar de Boom henen valt daar zal zy leggen moeten,
De Mensche, naar zijn dood, heeft geenen tijd van boeten;
De Boom zijn midden heeft, met eene schorsse omgort,
De Mensche een Ziele die van 't vleesch bekleedet wort;
's Booms midden eindelik, word met den Boom verdorven,
Maar 's Menschen ziel noch leeft, als 't lichaam is gestorven.
Dees stomme beeldenis spreekt, (als in eenen droom)
De Boom is als de Mensch, de Mensche is als de Boom.