$ TEXT_EXPL_XML
DIogenes die alzins zijn genoegen en 't weinig behoeven voor een groote
deugd achtede, sleet zijn leven zeer armelik en zober. Wanneer hy op zeke-
ren tijdt in zijn huis, dat is in zijn wijn-vat, zat, sprak hem dien Grooten A-
lexander op diergelijk een wijze aen: Ik koom hier, Diogenes! tot u, om te zien
waer in ik uw armoede kan te hulp komen: tot welken Diogenes sprak: A-
lexander! wie van ons beiden is behoeftiger, ik die boven mijn tassche en rok, niets
behoeve, of ghy die niet te vreden zijnde met u Vaderlik rijke, begeeft in zo sware
perikulen, alleen om dat ghy wijders moogt regeeren, daer nochtans de geheele we-
gedachtigh zijnde de spreuke Apulei, daer hy in zijne Apologie zeid: Verwijt ghy
my dat ik arm ben? ik bidde leert eerst zelve verstaen, dat ghy gierigh zijt. Hy
verzocht dan dat Alexander niet wilde nemen, dat hy hem niet kon geven, dat
hy hem niet kon geven, dat was het sonne-schijn; Daer mee gevende te kennen,
hoe hy liever hadt in zoberheid zijn leven door te brengen, als Alexanders schat-
ten te begeeren. Hier in, Diogenes! hebt ghy nu weinig nae-volgers, men zou
om die te zoeken uw'lanteerne wel van noode hebben. Tegelik eert nu de opgaen-
de Son, en wenscht dat hooge staten en ampten met een vozen goud-regen hem mo-
gen toegeworpen worden. Weinige zijn met het hare te vreden, wy blijven alle voor
't Meer staen, en niemant komt daer over. Indien de menschen zo yverig waren
(zeid een zeker Schrijver) om by God hooge ampten te bedienen, als zy hier op de-
ze werelt zoeken verheven te zijn, de Godzaligheidt zou in vollen zwang gaen.
't HUis van Diogenes was een opstaande tonne, (ne
Hy schuilde in heure schaeuw voor het steken van de zon-
Hy had geen and're hut, noch and're tente op d'eerd,
Dit vlinde leven docht hem luttel moeyten weerd.
Zijn tafel was het gras, op een byzond're wijze
Hielt hy zijn middagh-maal, met ongekoockte spijze:
En d'aas-zak, zijn schappray, hy altijdts by zich droeg;
Nature meenden hy heeft lichtelik genoeg:
De wijnen die hy dronck, was 't water, daar hy zeker
Geen Aconit in vond, zijn hand was zijnen beker:
Hy hadde geenen schat, oft droeg hy om 't gemak
Een tesch, zoo was 't zijn hert dat vol genoegen stak.
Waarom de Macedoon, de terfflickste Koning,
Hem eens besoeken ging, en vond hem in zijn woning;
Diogenes lag stil, en trock 't zich weinig an
Oft hy een Koning zag, oft eenen Akkerman:
Dit docht den Prinçe vremt, dies, om zijn zeldzaam leven,
Zeyde: eisschet wat ghy wilt, ik zweere ik zal 't u geven.
De Wijs-geer nauwliks sprak, ey! Alexander vrund,
Ghy neemt my 't zonne-licht dat ghy niet geven kund.
,, Dus is hy waarlik rijck, die zich in niets bedroevet,
,, Die in als is te vren, en weinig nootdrufts hoevet.
Hier ligt Diogenes, en kiezet in zijn vat
Het vrolick Zonne-licht voor Alexanders schat,