$ TEXT_EXPL_XML
WAt kuren bedenkt ghy, Diogenes! dat ghy by zo schoonen en hellen dagh,
met een ontsteken lanteerne, op de volle markt van Athenen, gaet men-
schen zoeken? Maer weet ghy wel waerom hy dat dede? Die kloeke bestraffer vond
by zijnen tijde zo veel bedrogs en schelmerije, dat hy meende, dat der redelikker
menschen zinnen in beesten verandert waren, en dat hy wel reden had naer men-
schen, dat is, na redelikke, te zoeken. Zouder nu oock niet wel een Diogenes
van nooden wezen, die onze gebreken, door zoodanig een onderwyzing, voor
oogen stelde? 't schijnt doch dat wy naer alle Godzalige vermaningen niet willen
noch willen zy redelik geheeten worden die dat zelve, of, met een langen rok, of
met slechte kleederen, daer 't bedrogh zoetlik onder verborgen leidt, bedekken.
Men scheert nu malkanderen niet als de scheerder de schapen, noch men vilt mal-
kanderen niet als de slager het schaep, dat is dan een korte dood: maer de eene
mensch eet nu den anderen levendigh met huyt en met hayr op, en dan latenze noch
dat doodelijk beroyt omme-heer loopen: en dit is nu de rechte slagh. Ook hebben,
Diogenes! de menschen niet van node datmen haer zoekt, zy zoeken nu haer
zelve, daerom kan nu niemand doolen. O tempora! mores!
DE droll'ge en oude Pouts, Diogenes ik meen,
Als op den middag 't licht 't schoonst van den Hemel
scheen,
Met een lateerne liep, om zoeken na zijn wenschen:
Elk riep, wat zoekt ghy hier? 't zijn redelikke Menschen
Die ick zoeken ga; elk boerden en elk loeg,
Wel Diogeen'zijn hier geen menschen noch genoegh?
Ik zieder hier niet een, (sprak hy) want ghy betoonet
Dat geene red'likheidt in uwe herten woonet,
Uw beestlik leven toont dat ghy (het welck ick haat)
Zijt menschen met den naam, maar beesten in der daat.
,, Die met Diogenes liep zoeken als de blinden,
,, Noch zoude hedensdaags nau menschen kunnen vinden:
,, Want deze wereld is een woeste wildernis,
,, Die niet vol menschen, maar vol wilde dieren is;
,, Ja noch de meestendeel zijn woester van manieren
,, Als in het wilde wout d'onredelikke dieren:
,, Want als den eenen wolf den anderen hongerig eet,
,, Dan is de winter koud, en byster fel, en wreed;
,, Maar dat de eene mens (al schijnt hy driemaal vromer)
,, Den anderen verslind, geschied wel in de zomer.
Diogenes leert hier, dat zy tot geenen dagen
Niet alle menschen zijn, die wel den name dragen.