$ TEXT_EXPL_XML
CRates was een Philosooph uit de stadt Theben, dezer heeft, op dat hy hem geheel totte
goede konsten en Philosophie mocht begeven, geen kleine schat genomen, en 't zelve in
de zee geworpen, zeggende: Wegh, wegh ghy snode beletzelen en begeerlikheden, 't 't is beter
dat ik u verdrenke, dan dat ik van u verdronken worde: want hy verstond datmen de deugd
en rijkdommen niet te gelijk kon bezitten. Suidas getuigt, dat hy al zijn rijkdommen in
geldt had by-een-gebracht, en hy Trapezitam te bewaren gegeven, met deze voorwaerde:
zoo zijn zonen Philosophen waren, dat hy 't zelve aen de behoeftige zouden uitdeelen: maer
zoo 't Idioten en slechthoofden waren, dat hy 't ter goeder trouw wederom zoude leveren.
Want hy oordeelde dat een Philosooph of een navolger der der wijsheidt nimmer yet zoude ge-
breecken. Hier by worden wy geleert, dat om tot eenige konsten, eerlikke wetenschappen, en
Goddelikke zaeken te komen, de rijkdommen zeer hinderlijkzijn, dewijl alsdan 't herte niet
zeer fray: Dat zijn alleen ware rijkdommen, die ons rijk van deughden maken. Begeert
ghy rijk te zijn tegen uwe broederen, bemint dan de ware rijkdom: Zo ghy zoekt op den top
der eeren te stijgen, poogt naer 't Hemelsch Koninhhrijk, en zoo zult ghy de volle rijkdom
besuten. Hieronymus zeid, datmen de rijkdommen moet gebruiken, doch zijt ghy een sla-
ve, zeidt hy, gebruikt ze als een slave, maer hebt gy 't jok der slavernye van uwen halze ge-
worpen, gebruikt en verdeelt de goederen als een Heere. Chrisostomus spreekt: De rijk-
dommen zijn geen zonde, maer het is zonde die niet recht te gebruiken, noch den armen
die zelve mede te deelen. Want de ware schatten, zeide Gregorius, dat zijn de Deugden,
die de conscientie met haer voert, op dat zy in eeuwigheidt rijk zy. Laet ons dan hier niet
altijds leggen te wroeten om aerdsche schatten te versamelen, die de dieven steelen, die de
roest en motten verderven; maer vergadert u schatten daer boven in den Hemel, die nim-
mermeer vergaen sullen.
SIet Crates den Thebaan hem zelven gaan te boven,
Verkoopende zijn haaf, zijn goederen, en hoven,
Dewijl hem 's werelts goet verhindert in den loop
Des deugds, verzaamt hy 't geld in eenen grooten hoop,
En spoeyende daar med'recht naar den dorren oever
Van d'ongetemde zee, (als zijnde geen behoever
Van zulken overvloed) werpt zijnen schat heel veer
En al zijne yd'le zorg met eenen in het Meer:
En roept, ligt daar vry in 't midden van de golven:
Veel beter is 't dat ghy ligt in den grond gedolven,
Dan dat ghy nacht en dagh mijn innerlik gemoed
Met angst en zorge pijnt, oft met veel quelling voed.
,, O groote Kemels! die hier met vele ongemakken
,, Zo lastig gaat getrost, met 's rijkdoms zware pakken,
,, Aanmerkt wat Crates doet, niet meer zo moeilik draaft,
,, Ziet hoe hy al zijn goud in 't diepe meyr begraaft.
,, Maar ghy zijt veels te gier, en zoud veel liever drenken
,, In 't midden van de zee, dan 't goud de baren schenken
,, Ay arme Gierigaerts! wat zal ik zeggen dan?
,, De heele wereld niet uw hert vullen kan:
,, Driekantig is u hert, dies als ik met verkloeken
,, Een ronde daar in trek, daer blijven altijds hoeken
,, Noch leeg en ydel staan: dus roep ik, met beklag,
,,'t Is eene diepe put die niemand vullen magh.
Waerom de Philosooph zijn goud werpt in de baren,
Dat zal u deze prent, en dit gedicht verklaren.