$ TEXT_EXPL_XML
DE Françoisen braveeren dapper op hunnen Ogmion, anders genoemt, den
Franszen Hercules. Hy was heel grijs, ging gants naakt, hebbende, voor
harnas en schild, alleen een leeuwenhuid om 't lijf geslaegen. Voerende in zijn rech-
ter-hand een boog, en in zijn linkze een knodtze. Voort schilderden zy hem in
zulk een voege, dat'er keetentjes uyt zijn mond quaemen; daer mee hy d'omstan-
ders als-an de ooren gevangen hiel, en tot zich trok. Hier mee poogden zy de dappe-
re manshaftigheid van dezen doorluchtigen Held te verbeelden, en aen te wijzen,
dat hy zijn vyanden niet alleen door magt en sterkte, wist t'overwinnen; maer
met de herten an hem gekeetent en gebonden. Hier by word verstaen dat de
sterkheidt zo vorderlik niet kan zijn als de welsprekentheidt: want door gewelt
van wapenen kan men wel landen en steden winnen, maer de welsprekentheidt
wint de herten, en neemtze, als door een lieflik gewelt, gevangen. Wat kan doch
de welsprekentheidt niet uitrechten? Cicero zeid: zy heeft Steden gebouwt en Ko-
ningrijken bevestigt, ook veel oorlogen ter neder-geleid: daer is ook niet heerlijker,
dan datmen de welsprekentheid zoo gebruikte, datze altijdt tot des Vaderlandts
besten moge geschikt wezen, en niet snooder dan datmen diezelve misbruike tot
der vromen onderdrukkinge. Augustinus zeid: De welsprekentheid in een snood
mensche is fenijn in een gulden beker. Wy moeten gedenken dat die zelve een zon-
derlinge gave Godts is, en datze na zijn regel en woord moet gericht en gematigt
wezen.
De Fransze Herculus hier aardigh en perfekt,
Met zijne zoete tong, de lieden tot zich trekt.