$ TEXT_EXPL_XML
IN deze beeldenisse wordt vertoont, hoe Solon, om 't overtollig spreken te vermyden, zijn
tong met een mes af-sneedt: en om van hem d'oorzake te verstaen, schreef hy, dat swij-
gen noit had geschaed, maer dat door veel spreken veel in ongeluk geraden zijn.
't Is wel zo, en 't spreeckwoord is by ons ook gemeen; dat het een goed spreken moet zijn,
dat een goed swijgen verbetert. Hoe vele zijnder door te veel spreken om 't leven geko-
men? wat schelmerijen, wat verraderijen, wat achter-klappingen, wat pluimstrijkerijen
kan de tonge niet al versieren? Hoe vele heb ik gezien, zeid Ambrosius, door te veel snap-
pen in zonden vallen, maer naulijkx een door swygen. Bernardus spreekt: Wat een tederen
lidt is de tonge, nochtans kan die zo qualik getemt worden. Godt de Heere, zey eener onder
den Ouden, heeft de tong verzien met dobbele bolwerken, op dat zy niet te lichtvaerdig ha-
schynen de mond voor een Ratel te hebben, dat terwijl zy spreken, andere niet konnen ge-
hoort worden. Wanneer Zeno eenen klapachtigen jongeling al te zeer hoorde snappen, zeide
hy: jongeman, jongeman, uw ooren zijn in uw tong geloopen: gevende daer mede te kennen,
dat de jonghelingen veel behooren te hooren en weinig te spreken; daerom hebben wy twee
ooren en een tong. De veel-sprekentheidt is een teiken van hersseloosheid, sprak eener, want
de holle vaten klinken meest. Wy behoorden ons alle van dit gebrek te wachten, gedachtig
zijnde de spreuke des wijzen Salomons, wanneer hy zeid: In 't veel spreken zal de zonde
vol zijn. Die hier van meerder begeert, leze het geleerde boexken Erasmi, dat hy van de
Tonge geschreven heeft.
DE wyzen Solon (om 't veel spreken te vermyden)
Ging, met een scherpe vlim, zijn eigen tong afsnyden.
Men vraagden hem, waarom? hy schreef, om dat veel
quaad
De Tonge oit heeft gewracht, en 't zwygen nooit geschaad.
O jonkheid! luistert toe, het dient u zonderlingen
Om leeren uwe Tong, van veel geklaps, bedwingen.
Welspreken is een deugd, wel zwygen ook een konst,
Die hier de mate in treft verkrijgt een groote gonst.
Natuur, zorgvuldig om ons hier in te versterken,
Heeft onzen mond verzorgt met een dobb'le bolle werken,
Op dat de losse tong niet licht uitbarsten mocht
Meet eenich schand'lik woord, dat boven in de locht
Als eenen vogel stijgt, en als het is ontvlogen,
Niet licht'lik wederom kan werden in getogen:
Dat ik oit stille sweeg, my nimmer heeft berout,
Maar wel dat ik te veel geklapt hebbe en gekout.
De Heidenen die steeds hier inne vlytig leerden
Harpocratem als Godt des stilleswijgens eerden;
Die met den vinger op den mond hun onderwees,
Inhoudende de stem het zwijgen elk aan prees.
Pythagoras snijd ook, als met een vlimme oft mess
Het vele spreken af, als hy voor d'eerste lesse
De jeugd vijf jaren lang leert swijgen en verstaan,
,, Want zedig swijgen, in de plaats van veel spreken,
,, Dat zie ik alle dag ons allen noch ontbreken.
Ziet hoe de Philosooph' zijn eigen tong af-snydet,
Op dat hy zwijgen leere, en 't ydel spreken mydet.