$ TEXT_EXPL_XML
CIcero, in 't derde boek van zijn Burgerlikke ampten, reedeneert zeer kloekelik over
deze historie, wil beweeren dat de eere in alle handelingen behoordt voor de baet te
gaen, want hy zeidt, of 't geviel (om by gelijkenisse te spreken) dat een oprecht Koopman, in
groote dierte en hongers-noot, van Alexandrien met koren geladen
volgden, die ook naer Rhodis wilden, of die Koopman zulx niet behoorde te kennen te ge-
ven, dan of hy, dit verzwijgende, zijn koren mach op 't dierste verkoopen? Daer van wil
Antipater datmen behoorde alles te openbaren, en den kooper waerschouwen. Doch Dio-
genes van Babylonien zey, dat de verkooper gehouden was alle de gebreken van zijn wa-
den. Maer Antipater spreekt daer klaer tegen, en bewijst, dat het gemeene profijt moet
voor 't bezondere gaen, &c. Ghy behoefdes, Cicero! u zoo zeer met deze vragen niet
bemoeit te hebben, wat eerlik of oneerlik gedaen is, maer men weet het nu al veel beter.
Men redeneert nu dus, het is eerlik dat profytigh is, en daer me mach men nu alle dingen
doen. Men stroit nu wol uit dat de schepen gebleven zijn, en dat het goed op 't veld bedor-
ven is, en men bedenkt veel duizend kunstjens, om alles te doen steygeren, Godt geve ook
wie daerom zucht en kermt. De vervloeckinge, zeidt Salomon, u op die 't koren verbergt,
maer zegen u op zynen hoofde, die 't den armen uitdeelt.
DE mag're dieren tijd, schiet tot in 't graf des doodes,
Verdrukten de Gemeente, in 't overoude Rhodes,
Waarom de mare vast met haren grooten trom
Opwekten 't naaste land, tot hulp en trrost al-om:
Tot datter eindelik drie Schepen zwaar geladen,
Met terwe quamen aan, om yeder te verzaden,
Maar nauliks raakten zy uit d'ongestuime zee,
En wierpen 't anker uit in dees versmagte re.
Oft d'opper-stierman roept, zo luide als hy mag brullen,
O Borgers! hier is graan om uw gebrek te vullen,
Maar koopt niet al te dier, oft immers maar ter nood,
Want daar komt achter my noch een geheele vloot:
Dus houd een leege markt, wilt niette hoog opsteken,
Want daar is voor de hand meer als u mag ontbreken.
,, Graan-koopers u vry schaamt, als ghy u niet verkloekt,
,, En met uw schade aldus 't gemeene beste zoekt,
,, Wanneer ghy gierig, om veel winning te verwerven,
,, Uw koren-zolders sluit, en laet'et graan verderven,
,, God geef ook wie'er vast met kommer en geduld,
,, Als uwen aas-zak maar is tot de keel vervuld:
,, Peynst vryelikken dat des Rechters ooren tuiten,
,, Die eens op 't lest voor u zal 's Hemels schuren sluiten;
,, Als ghy dan klaaght en kermt, werd ydel uwe hoop,
,, Wanneer hy zeggen zal: mijn Graan is niet te koop.
Een leerlik voor-beeld van een Schipper (na mijn oordeel)
Die met zijn schade zocht zijns naasten meeste voordeel.