$
TEXT_EXPL_XML
KOmt by Penelopen, Vroukens! hier ter scholen,
Die, t'wijl Ulisses vast gaat twintigh jaren dolen,
(Thien jaren om de blom van Menelai hof,
Waarom 't schoon Troijen werd vernielt tot gruis, en stof:
En even zo veel tijdts, door d'onstuime baren,
Waar met hy stoffe geeft Homeri zoete snaren)
Heur zuiverheidt behoud; hoe lange hy vertoeft,
Zo blijft zy hem getrouw, hoe hert zy wert beproeft,
Van zo veel welpen, en ontstekene benyders,
Van heur sneeuwitte vleesch: Ulysses is langh wegh,
Misschien door Hectors swaardt gevallen in 't belegh,
Oft op zijn wederkomst (dit hebdy licht te gissen)
Versopen in de Zee, gegeten van de visschen.
Maar als zy nu op 't lest zal laten in den strijd
Het heilgst dat zy heeft; Ulyssi toegewijd,
Zy hun uitgestelt zo lang, tot dat zy 't fijne webben,
't Welk zy begonnen heeft, zal afgeweven hebben.
Hier meed'zijn zy gepaait, dus wat zy in den dag
Weeft, dat ontweeft zy 's nachts als 't niemand van'er zag.
O Pollen! zydy blind, ghy meint den brand te blusschen,
Ziet wat zy 's nachts ontvlecht; zo lang tot ondertusschen
Ulysses wer betreedt den dorpel van zijn huis,
En met zijn komst verlicht zijns vrouwen lastig kruis.
De minnaars druipen weg, zy zien haast wat daar t'huis leid:
,, Dies komt de kroon heur toe van d'onverwonnen kuischeid.
De daad Penelopis is een leerachtigh voorbeeld,
Want met heur kuysheid zy d'onkuischeid heeft veroordeelt.