$ TEXT_EXPL_XML
DAmon was van den Tyran Dionisius in een sterke Kerker, om gehangen te
worden, gesloten; voor welken Pytias borge bleef, dat hy ondertusschen naer
huis zou reizen en zijn zaken beschikken, om ter bestemder tijdt weder te keeren,
anderzins zou de borg voor de schult moeten betalen. Hier op bleef Phytias in de
boeyen, en 't scheelde niet zeer, of de straffe zou aen hem werden volbracht. Onder-
tusschen komt Damon de doodschult te betalen. Dionisius hier over, meer ver-
wondert als verschrikt zijnde, beroerde, deze getrouwigheid zoodanig het herte
van den Tyran, dat hy hem niet alleen 't leven schenkte, maer begeerde ook als een
dat zy by den ondeugden zelve eerwaerdigh is. Hier machmen zich billik over
deze vrienden verwonderen, maer hoe weinigh worden die doch gevonden? Hie-
ronimus verhaelt, datter hy de Historien der Heidenen maer acht paer oprechte
vrienden te vinden zijn. Tarquinius zeide, dat hy ballingh wezende, eerst ver-
stond wat oprechte vrienden waeren, als hy geen vergeldinge mette werken konde
bewijzen. Herodotus zeidt: het kostelikke van alle rijkdommen is, een vriendt
die te gelijk verstandig en goetgunstig is. Men plach eertijds, zeidt Lucianus, de
rijkdom na de vrienden te schatten. Zoo datmen sprak, liever Geldeloos dan Vrien-
deloos. Maer nu is 't heel verkeert, en men mach dat spreek-woordt wel om-kee-
ren, en zeggen: Liever Vriendeloos dan Geldeloos, wat
Hier voortijds was de Liefde en Vrienschap groot geacht
Maar loopt nu als beroyt; en slechts naar winste tracht.
IN eenen diepen put lagh Damon vast gebonden,
Zijn borgh bleef Pythias, hy werd na huis gezonden,
Mids dat hy keeren zoude, en uit de vangenis
Des kerkers sijnen vriend verlossen voor gewis:
De weder-komst vertrok, de tijdt was heel verstreken,
Maar Pythias (eilaas!) bleef in de vreeze steken:
Zijn vonnis was gemaakt, hy werdt geleidt ter dood,
Maar Damon t'wijlen komt, en ziet hem in den nood.
Heer Koningh (zeiden hy) tast my aan zonder zorge,
Ik schuldenaar ontslaa hem van sijn trouwe borge!
Ick ben de rechte man, ick heb de dood verschult,
Dies mijnen vrund ontslaat, en 't recht in my vervult.
De Koninghal verbaast bezagh dees lieve vrinden,
Die trouw tot in der doot malkanderen beminden,
Dies hy verwondert was, en in zich zelven loegh,
En om so trouwen daad hun beide-gaar ontsloegh.
,, Dus eene trouwe vriend is beter als veel broedren,
,, En kostelikker schat dan al des werelds goedren.
Hoe twee gemakkers zijn malkand'ren trouw gebleven,
En hebben in 's doods-noodt d'een d'ander niet begeven.