$ TEXT_EXPL_XML
EMpedocles had aengenomen, als voor spraek, 't recht eens beschuldighden te
verdedighen: by den Rechters komende om zijn zake te bepleiten, vond die
slapen: hier over bedacht hy kluchtig een fabeltjen, dat een man had gehuurt een
Ezel daer de eigenaer neffens ging, om ter gezetter plaetze den Ezel weder tot hem
te nemen. Onder wegen was haer de middagh-zon zo verdrietig, dat zy twistig
wierden wie in de koele schaduwe van den Ezel zou rusten, de reisige man zei,
ter wijlen hy den Ezel gehuurt had, zoo quam hem ook de schaduwe, daer-em-te-
gen beweerde d'ander, dat hem den Ezel behoorde, over zulx de lommer mede, al-
zo dat beide deze om eens Ezels schaduwe twisteden: hier mee brak hy zijn reden
gaen? Doen sprak Empedocles, ghy, Rechters! mocht wel by Ezels vergele-
ken wezen, die meer behagen schept in dezes Ezels schaduwe, dan in dezes mis-
dadigen recht, en heeft alzoo deze slapende Rechters beschaemt gemaekt. Men
leest van Philippus van Macedonien, dat, terwijl hy slaperig zat in den raed, een
sententie worde uitgesproken over eenen Macheta, die niet al te recht was. Mache-
ta, ontstelt zijnde, zeide, ik appellere hier over: de Koningh verwondert, als geen
hooger appl kennende, sprak, tot wien wilt ghy appelleren? tot u Heer Koningh,
zeide hy, zo 't u E. beliefde den slaep wat ter zijden te stellen, en nauwer op mijn
zaek te letten. De Koning hervat die zelve, bevint dat hem ongelijk gedaen is,
hy weder-riep 't geoordeelde niet, maer betaelt de zelve 't geldt daer Machetas in
verwezen was, en deze daedt worde voor groote eer en wijsheidt gehouden. De
Rechters behoorden opmerkende te wezen, seid Aristoteles, en met ziele en reden
alles te overwegen. Vervloekt is hy, zeid Salomon, die de godlooze rechtvaerdigt;
en verdoemt de Rechtvaerdige, zy zijn beide by Gode een grouwel.
EMpedocles voor 't recht oft vierschaar onfertsaaght
Als taalman quam, voor een die hert was aangeklaagt:
Daar komende vond hy de Rechters t'samen slapen,
Dies sprak hy kluchtigh om hun listig te betrapen:
Een Reyziger, als hy om reyzen was bedocht,
Huurde eenen Ezel, die hem spoedigh dragen mocht;
Maar onderwegen hy aam-achtigh en schier flaauwe,
Koos voor des middags brand des Ezels koele schaauwe:
En d'eygenaar des muyls, die van der zonnen vlam
Schier smolt, die seyde dat 's beest lommer hem toe quam;
Doch d'ander wilden hem daar mede niet geryven:
Dus om eens Ezels schaau'men twe sach heftig kyven, &c.
Hier mede Empedocles zweeg oft hy was vermoord.
De Rechter hoorde toe, en sprak vertelt ons voort.
Doen loegh de Philosophe, en voegde noch by dezen,
Recht eenen Ezel ghy mooght vergeleken wesen,
Want in een Ezels schaauw schept ghy veel meer vermaak
Als ghy deed doen ghy sliept in des misdaders zaak.
O dat was recht gezeydt! zy mogent noch wel hooren:
Vry Musa! waar hy zit daar vat hem by zijn ooren.
Empedocles bewijst hier met een kluchte fijn
Dat daer het Vierschaar slaapt, de Rechters Ezels zijn.