$ TEXT_EXPL_XML
CRinitus verhaelt, dat de Keyzer Firmus (die Aurelius noemde den Aegip-
tischen rover) was van grooter gedaente, met brandende oogen, gekrolt hayr,
met een geteikent voorhooft, duister gezicht, de rest zijns lichaems was ruygh en
hart, alzoo dat hy de Reuze genaemt werd: en was daer by zoo sterk, dat hy Tria-
rium heeft overwonnen: hy liet een aenbeeld op zijn borst stellen, daer hy eenige
smeden liet opslaen, 't welk hy alles zonder eenige pijn verdragen kon. Deze man
was, maer wilde zijn groote kracht des lichaems over al daer mede te kennen geven.
Zoo vintmen noch hedendaegs veel luyden, die in ydele en looze kunstjens haer eer
zoeken, daer hy noch hun zelven eenigh profijt, noch anderen eenigen dienst mee
doen konnen, daer voor men zich moet wachten, op dat wy niet voor zot of reuk-
keloos geacht worden, dat wy ons eygen leven en gezontheid niet tot terginge van
Gods gaven misbruikken, die ons dan eindlikken sware belooningen voor onze
heerlikke werkken geven, alzoo dat wy van ieder bespot, en van niemandt be-
klaegt worden.
SOo sterck was Firmius van lichaam en van leden
Dat klits, klats, klits, klats, hy met hameren liet smeden
Op een zwaar aanbeeld, daar zijn lichaam onder lagh,
Want noit verstaalder mensch men immer vond en zag.
Maer oft schoon zulken kracht hy hadde van de Godheid
Ontfangen, niet te min wast wel een groote zotheid
Dat hy met zulk gevaar beproefd en zijne kracht:
De Wijze-man zijn doen bespottet en belacht.
,, De kracht des lichaems heeft natuur ons niet geschonken,
,, Op dat wy daar me hoog en heerlik zouden pronken;
,, Noch om door ydele eer daar door te zijn beromt,
,, Maar nutten dankbaar die daar 't ons te passe komt.
Aanmerkt hoe Firmius, gelijk de dwaaze dooren,
Ons zijne kracht laat zien, en zijne sterkheid hooren.