$ TEXT_EXPL_XML
ARion, de treffelikke Cyther-speelder Lyrische Poëet, wanneer hy naer zijn Vaderland
Lesben wilde reizen, merkten hy dat de boots-gezellen bezig waren, om heimlikke listen
te bedenken, hoe zy hem zouden mogen om hals brengen, en dat, vermids hy groote schatten by hem
had. Hy dit zelve overdenkkende, maekte hem çierlik toe, en spelende op zijn Liere, wierp
hem van boven in de zee-baren: in welk geluit eenen Dolphin vermaek scheppende, voerde hem
op zijnen rugge behouden aen den Oever. Tot wiens gedachtenisse de Griekken een beeld hadden-
opgerecht, met deze Dichten:
De Dolphijn heeft uit liefd'Arion aen de strand,
Door 't Siciliaansche Meyr, gebracht in 't Vaderland.
Deze Fabul hebben de Oude hierom bedacht, op dat niemand zou mogen denkken, dat zijn schelm-
stukken, als zy die bedreven hadden, bedekt zouden mogen blijven, dan zy meenden dat de voge-
len des Hemels, of de beesten op de velden, of de visschen in de zee zouden getuygen en hulpe
wezen den vromen die verdrukt worden, en dat de menschen wel ondanckbaer zijn, die alle
weet in alles te troosten: Daer van H.L.S. deze Dichten heeft gestelt:
Die midden in de zee, en schrylings op een vis,
Daar 't naaste schip te vyand, geen lijf-berging is,
Gerust en heel vernoeght, vrolik te singen meugen:
Die moet vast van gemoet; in Godt en deughd verheugen.
DE Herper Arion den Ocean gingh kruissen
In een Corinthische bark, ontsiende niet het bruisschen
Des grondeloozen meyrs, op dat hy aan het strand
Zijn stappen zetten mocht in 't schoon Hesperisch land
Maar nauwlix is hy t'scheep, of heimelik hy hoorden
Dat hem het schips-volk 's nachts bestemde te vermoorden,
Dies hy van angst en vrees schier kroop in eene schulp,
Als hy verlaten zich van alle menschen hulp
Vond in zijns lijfs gevaar: wat raat in dees verbasingh?
Zijn lichaam cieren, en toemaken hupsch en schoon,
Gelijk hy was gewoon, als hy den zoeten toon
Zijns gulden Cyters in een schouwplaats plag te wekken,
Op dat zijn cierzel noch tot zijns lijks eer mocht strekken,
En dat hy, als de swane, in zijnen lasten nood,
Met eenigh droevigh lied, beklagen mocht zijn dood.
Dus zijnde toebereid, dus zijnde toe-berustet,
Hy tot den schip-lien zeght: matroosen, my gelustet,
Ter eere van Apol, een lied te heffen aan.
Maar als hy nauwliks noch ten halven heeft gedaan,
De Zonne in Thetis schoot met zijne vuir'ge paarden
Daald zachtelikken neer, om daar zijn rust t'aanvaarden,
Het boots-volk al verwoed gelijkker hand toe treed,
Eer noch zijn donker zeil den nacht hadde uitgespreed,
En komt gewapent aan om zijnen draadt te korten,
Dies hy van boven neer zich in de zee gaat storten:
Maar eer met zijn gansch lijf hy noch in 't water plotst,
Hy van de Dolphijns werd gedragen, en getrotst:
d'Een neemt hem op den rugge, en d'ander door de baren
(Alsof zy dezen dienst hem dobbel schuldigh waren)
Geleiden hem door 't nat: dies eer hy ommekijkt
Is 't Schip zoo wijdt van hem, dat het een schelp gelijkt,
Hy heft zijn aanschijn op, en vrolikken, van verren,
Aanschouwt de zilv're maan, en zoo veel gulde sterren,
Dies hy gedenkt dat Gods gerechtigheid wijd sweeft.
En niet met een oogh ziet, maar zoo veel oogen heeft
Als sterren in de lucht, daar mede hy bespiedet
Al 't geen wat op der aarde oft in de zee geschiedet:
't Welk in dit groot gevaar hem een kloek herte maakt;
Tot hy behouden zo t'wijl aan den oever raakt.
,, O dommen Mensch! leert hier, kruipt eens uit uw schelpen,
,, Hoe uwen naasten ghy in nood behoort te helpen.
De Dolphijn in het Meyr bewogen de snaren,
Den Harper Arion draaght door de blaauwe baren.