$ TEXT_EXPL_XML
DEze Fabel heeft Demosthenes die van Athenen voor gehouden, te weten
dat de Schapen mette Honden een verdragh hadden gemaekt om de Wolven
tegen te staen: 't welk zy wel stantvastigh onderhielen, en haeren vyandt onder
oogen zagen, maer als de Wolven zagen dat de Honden haer in de wege waren,
maekten de Wolven metten Schapen een eeuwige vrede, mids dat zy de Honden
verlaten zouden: 't was niet zo haest geschied, of zy worden der Wolven proye.
Zo dee ook Antipater die van Athenen, want als hy haer eeuwige vrede aenbood,
zocht hy dat zy de tien Orateuren, die hy zeide dat alle vyandtschap maekten,
wilde hy hun te vreden laten, en geen meer schade aendoen. Als dit geschiedt was,
quam hy met gemak tot zijn voornemen, plaegde en onderdrukte die Stad naer
zijn wel-gevallen. Dit behoort ons op te wekken om de wijze Mannen in eeren
te houden, op datmen tegen der Wolven geweldt mach bestaen. Men leest van So-
lon, wanneer hy zagh dat Pisistratus al het bewint aen hem had getrokken, dat
hy al zijn wapenen voor het Raedthuis geleidt heeft, en gezeid, Vaderland! Va-
derland! ik heb u met raed en daed altijd by-gestaen, betuigende dat hy het gemeene
beste getrouwlik had gedient. Alzoo behooren alle die de zorge van Rijken bevo-
len is, oprechtelikken te handelen, en de Wijsheid of de Wijze in eeren te houden, op
dat de goede gemeente beschermt, de Gerechtigheidt onderhouden, en alles in vrede-
mach toegaen.
ALs Ph'lippus had verzocht d'Atheensche Wijze Tol-
ken,
Sprak by gelijkenis Demostheen tot den volken:
De Schapen waren met de Honden eens getren
In een verbond, dies zy de Wolven t'zaam bestren
Maar als de Wolven, nu hoe krachtigh in de wapen,
Het krijgen niet meer holp, zy met d'onnos'le Schapen
Besloten eene vre, dies zy van stonden aan
Den Honden mosten hun quijt maken en ontslaan:
De Schapen deden zo, maar als zy nu bloot zaten,
En hadden onbedacht den Honden heel verlaten,
De Wolven wederom aanquamen met geweld,
En hebben zo de kud verslonden op het veld.
Hier me Demosthenes bewees uit der natuuren
Dat hun niet baten mocht de sterkheid van haar muuren,
Indien zy lieten gaen de Wijze van der Stadt;
,, Want daar geen Wijsheid is, daar zijn de wallen plat.
Demosthenes hier by gelijkenis verklaart,
Dat zouder Wijzen niet een Stadt magh zijn bewaart.