$ TEXT_EXPL_XML
WAt deze Harpien voor vogels geweest zijn, daer van kan men by de Poƫ-
ten, als Virgilium, Hesiodum, Apollonium, &c. lezen. Sy beschryven,
doch zeer verscheiden hare gestaltenisse. Zommige zeggen dat het vogels zijn,
hebbende een maeghdelik aengezicht, bleek en mager, als oft zy nimmer konnen
verzadight worden, met felle klauwen. Sy voerden haeren name van moorden,
roven en stelen, en lieten achter haer een leelikke stank. Men beelde de windt by
haer af om haer snelligheid, en zy hadden ook hare bezondere namen en geslachten.
Hier by wordt te kennen gegeven de oprechte aert der Tyrannen, die belust tot moor-
le stank den nakomelingen na-laten. Van deze zoorte is niet de minste geweest de
bloed-dorstige Keizer C. Caligula, want als hy in 't dooden en moorden verma-
ken schepte, plach hy zijne Beuls te gebieden, om zijne wreedheid te meerder te be-
toonen, datmen de arme gevangene zoo zoude dooden, op dat zy door d
langzaemheid der straffe te meer de pijne en 't schrikken des doodts zouden
gevoelen. Want hy zeide, Slae zo, op dat zy voelen dat zy sterven. Deze wree-
de Tyran is korts daer na met dertigh wonden doorsteken, en als een Verkken van
't vyer geschrookt en schandelikken omgekomen. Zo einden deze Harpien haer le-
ven. Ook vestonden deOude by deze harpien de onmatelikke gierigheid en begeer-
likheid der menschen, die alles met recht en onrecht (als Grijp-vogels) raepten en
schraepten, en speelden altijd, als oprechte bloed-zuigende Egels, in mijn zak! in
mijn zak! daer van Horatius zeght:
Den Egel niet zijn zuigen laat,
Voor hy is van het bloed verzaad.
Zoo slaen de Harpien van onzen tijd de klauwen ook over al in, en dooden wel
de luiden niet, maer zy keelen die zelve nu met een stomp mesken, zoo datze noch
leven noch sterven konnen; dit schijnt nu wel wat barmhertiger, maer ondertus-
schen pijnigen zy de luiden met een langzame dood.
DE moordische Harpy heur zelven gulzigh mesten
Met menschen vleesch en bloed, zoo lang tot zy ten
lesten
Quam drinkken uit een borne, en zach in kristalijn
Heur spiegel ende schaauwe, en held'ren wederschijn:
Dies wanende dat daar heur zuster lagh begraven,
Die in den zilv'ren vloed heur dorst had willen laven,
Zy haast van rouwe storf. ,,Doodslagers, spiegelt u!
,, Wanneer ghy 't beelde Gods zo eisselik en gruw'
,, Maayt in het duister graf, en onze moeder aarde
,, Bevlekt met 't roode bloed dat druipt van uwen zwaarde,
,, Gedenkt aan uwen loon, en ziet dit schouwspel aan!
,, Daar in den mensch misdoet, daar zal hy in vergaan.
De moordische Harpy gestelt tot ieders baak,
Hoe des verslag'nen bloed in 't einde roept om wraak.