$ TEXT_EXPL_XML
SUidas verhaelt, datter twee Heidensche Priesters twistigh waeren, om de
macht en sterkheyd haer der Goden te beweeren: ieder prees de zijne. Die van
Persien hielt het vyer boor zijnen Godt, want, zey hy, het vyer verteert alles, ten
minsten verandert alle fatsoenen, al waren zy ook van gout of andere metalen ge-
maekt. Hy was in Aegipten by een ander Priester van Canopo, die ook zijnen
Godt (het Water) boven alle prees, die ten laetsten een wedspul aenrechteden, wie
van beide de sterkste was. De Persische Priester maekte een Autaer toe, daer op hy
zijn Godt stelde, de Priester van Canopo bedacht een groot beeld van steen ge-
als dit beeldt nu door den Persischen Godt zou werden verslonden, is het wasch
gesmolten, de gaten geopent, en die God is ellendigh van 't water uytgebluscht, dus
wan de Egiptische God den prijs, dat hy den Persiaenschen God overwonnen had.
Ziet doch de blindheyd dezer armer menschen, nochtans derf M. Varro wel, zeg-
gen dat hy over de dertigh duyzendt Goden heeft getelt, en datter wel drie hondert
Jupiters geweest zijn: Hoe vele zijnder onder de Oude geweest, die zelve voor Go-
den wilden ge-eert en aengebeden zijn? De Propheet Jeremias klaeght dat onder
het volk Juda zo vele Goden als steden waren, Och dat de Joden zo verblindt
heen gingen en hingen den Afgoden aen, daer zy de ware Propheten tot hare leiders
en predikkers hadden. Nazianzenus de Oudtvader, zeid wel, hoe meind ghy zul-
lenze varen, die hun zelven van gister en eergister Goden hebben opgeworpen, en
dat van zulke die door haer schelmstukken vermaert zijn geweest? blindheyd!
HEt Vuur by den Persiers (als die niet beters wisten)
Als God werd hoogh ge-eert, het welk met groote li-
sten
Van eenen Priester werd zeer aardighlik bespot:
Want hy met Water-vocht gevult heeft eenen pot
Die al vol gaatkes was, gestopt met wasch te zamen,
En maakten hem een hooft zeer aardigh na 't betamen.
Den Afgod zoo hy was (ziet dat ghy niet en lacht)
Heeft hy voor 't heete vuur zeer kluchtig voorts gebracht,
Het wasch versmolt terstond, het Water sprong daar henen,
En bluschten zoo geheel den God des Vuurs met eenen.
Dies werd de water-kruik ( wonderlik bestier!)
Voorts aan by den Persiers ge-eert in plaats van 't vier.
't Gaet zo noch hedendaags, wanneer wy daar op merkken,
,, Elck hout'et noch altijd gemeenlik met den sterkken.
Van 't Water en van 't Vuur een kluchtige verhaling,
Waar uit wy naakt verstaan der Heyd'nen blinde dwaling.