$ TEXT_EXPL_XML
PHYLLIS.
HOort doch, wat my coomt int
ghedacht,
Ick hebb' onlangs gehoort de clacht,
Van een, ons wel bekende, maeght,
Die by een Roosken haer gheleeck,
En sprack, ghelijck als ick nu spreeck.
Als eerst dat jeughdich purper-root
Quam puylen uyt mijn teeren schoot,
Doen stont ic vast op mijnen steel,
Wie my genaeckte was te veel;
Ic schrabd', ic prict', ic quetst', ic stack,
Een yders hant die aen my track:
Maer doen mijn jeught en glans ver-
dween,
Viel ick, nau aen-geraeckt, daer heen:
Ach! die met een beleefde hant,
Tot een bemint en weerdich pant,
Voor desen niet wou zijn gepluckt,
Word' nu met voeten onder-druct,
Ay my! die eerst-mael niet en wou,
Wat ist dat ick nu niet en sou?
Te wesen weyg'rich, prat, en steegh,
En dee noyt jeughdich meysken deegh,
Want als den rimpel coomt int vel,
Indien het quaem, sy naemt wel.
Virginitatis honos, virginitate perit.
PHYLLIS.
DVm Rosa flore novo, foliisque recentibus halat,
...
Montagn. lib. 3. cap. 5.
Ronsard.