$ TEXT_EXPL_XML
VIer vryers, die om strijt haer vrijsters dapper presen,
Beslooten onder een, ick sou haer rechter wesen;
Gijs hiet sijn liefste moy; en 'tis een leelijck vel,
Fob noemt de sijne net, en 'tis een morse-bel:
Guert prijst haer dien hy mint, als geestigh in de seden,
En daer en is geen fout in al haer domme leden:
Kees acht de sijne vers, en uytter-maten fris,
En 't meysjen heeft een vel gelijck een drooge vis.
En wat hy tot een gront van sijn vermeten leyde;
Soo heb ick dese saeck een weynich ove rdacht
En met een kort beraet dit vonnis uytgebracht:
Hoort, vrienden, met een woort den gront van uwe saken,
Des vryers gunstigh oog dat kan de schoonheyt maken.
Elck acht sijn uyl een valck, en boven eygen mal,
Soo wilmen dat het volck het so gelooven sal.
Eim jeden dunckt das sein ewl ein falck
sey
EYgen wooningh, eygen dack,
Groot voorwaer is u gemack,
Eygen keucken, eygen heert,
Groote schatten zijdy weert;
Want al zijt ghy niet te groot,
Ghy zijt dienstigh voor den noot,
En al zijt ghy slecht en arm,
Noch vind' ick u asschen warm,
Of al zijt ghy somtijts kout,
Ick ben op u wonder bout,
En dat even doet my deught,
En verweckt my soete vreught.
Dus zijt ghy in mijn gepeys
Beter als een groot palleys,
Beter ( Princen met verlof )
Beter als een konings hof;
Want, dit houd'ick wonder vast,
Groote salen, groote last,
En, gelijckmen staegh bevint,
Hooge torens, hogen wint.
Dijn hier / 't sijn daer / 't mijn
is het beste.
Elck meynt sijn uyl een valck te zijn
ID embstma_1288_emblem012 CHILDREN CHILDREN_SQRT 0