$ TEXT_EXPL_XML
Al heb ick tot het wilt een wonder groot verlangen,
Noch sal ick geenen haes op sijnen leger vangen;
Ick scheppe meerder lust wanneer vaerdich loopt,
Want 't heeft doch beter geur al watmen diere koopt.
Wel op dan, vluchtich dier, waerom hier stil geseten?
Ghy dient niet sonder sweet, en sonder stof gegeten,
Dat is u beste saus; u spier en smaeckt ons niet
Als ghy u sonder loop dus aen den lager biet.
Die moy, die geestigh is, en singt gelijck een lijster,
Die streelt my wonder sacht, en spreeckt geduerig schoon,
En des al niet te min ick acht het niet een boon:
'Ken weet niet hoe het koomt, sy kan mijn wilde sinnen,
Sy kan mijn grilligh hert met vleyen niet gewinnen,
Ick sie het alle daegh, al heb ick ongelijck,
Hoe sy my naerder komt, hoe dat ick verder wijck.
Daer woont in tegendeel hier onder onse bueren
Een ander weeligh dier vol alderhande kueren,
Een trots een spijtigh ding dat my geduerigh quelt,
Dat my gants selden spreeckt, en veel te leure stelt.
Hoe moet ick menigmael ontrent haer deure dwalen,
Oock als de koude snee komt uyt den hemel dalen!
En des al niet te min, ick bender mee gepast,
En voel dat my het vier oock in de koude wast.
Wel vryers, naer ick sie, wy slachten hier den Iager,
Die prijst den snellen haes, al is het wildt-braet mager;
De moeyte wet de lust, soo datter niet en smaeckt
Als dat hem draven doet, en moede leden maeckt:
Al watmen heeft besuert, dat wort met lust beseten.
Dus vrijster, wieje zijt, wilt noyt te veyligh zijn;
Geen vreugt en heeft vermaeck als na voorgaende pijn.
Lat.
simi
tantò magis uritur
ferre inertiae potest.
cerpere ramo
juvat
Lat.
te segnes: non sunt haec &c.
gnesque tenemus
sit habere juvat.
ingratum.
Nederd.
Lat.
quam carendi metus.
Nec victoria mi placet parata.
Franç.
Il est veneur de basse mise.
Nederl.
met minne beseten.
Nederd.
De liefde sal geen liefde zijn.
Spaens.
Che fu duro à supportare.
Griecx.
Ital.
Lat.
Militat omnis amans.
No magis adducto fructus decerpere ramo
Quam de caelat â sumere lance juvat.
Het beelt moeste zijn een Vrijster die een porceleyne schotel met
freuyten en een Vryer aenbiet, de vryer sich van de vrijster tot een
freuyt-boom keerende om selfs te plucken.
De Vrijster die het fruyt den Vryer aenbiedt spreeckt aldus:
Hoe meughje doch beminde vrient
Met dus veel moeyten zijn gedient?
Met verr' te reycken zijn gepast,
En doen u desen over-last?
Ghy reyckt hier nae een hoge tack,
Niet sonder pijn en ongemack;
En siet! u maet klimt in een boom,
Gewassen aen een diepen stroom;
Gewis indien hy neder viel
Sijn lichaem ware sonder ziel;
Of ( schoon hy dedet sonder leet )
Soo scheurdt hy licht sijn beste kleet:
En kijckt doch wat je plucken kondt
Ten dienste van een gragen mondt,
Dat is ten vollen hier bereydt,
En wort u gunstigh voor-geleydt;
Siet hier een aerdigh porçeleyn,
Daer liggen fruyten menichfout,
Soo geel gelijck als enckel gout,
Daer liggen rijpe vruchten in,
Ghy, kiester een naer uwen sin;
Hoe isset niet het beste goet
Daerom men weynigh moeyte doet?
De Vryer naer een tack reyckende, antwoort:
Ick danck, ick danck u, liefste kint,
Maer ick en ben doch niet gesint
Tot 'tgene ghy nu heb geseyt,
'Ken wil niet datment voor my leyt;
Want schoon al reyck' ick naer een tack,
Niet sonder eenigh ongemack;
En schoon ghy biedt my vruchten aen
By yemant anders af-gedaen,
Gelooftet vry, beleefde maegt,
Dat is geen ooft dat my behaegt.
Een tack met krachten neer gedruckt,
Een vrucht met eyger handt gepluckt,
Een peer die hoogh en vluchtigh hangt,
Die isset daer men naer verlangt;
Want noyt en zijnder fruyten soet
Dan als de plucker klimmen moet.
Le bon veneur ne prend La beste qui se rend
PREV embstma_1288_emblem019 URL_IMAGE embstma_1288_pic078.jpg IC 25F26(HARE)(+535) ; 25H15 ; 31AA2511(+933) ; 31AA25111 ; 31D14 ; 41D221(HAT) ; 43C1142(+0) ; 43C1147 ; 45C14(POLE) ; 53CC12(+4) ; 53CC21(+4) ; 56B3:54A11 ; 56BB3:54AA11 ; 86(LE BON VENEUR NE PREND LA BESTE QUI SE REND) ID embstma_1288_emblem020 CHILDREN CHILDREN_SQRT 0