$ TEXT_EXPL_XML
Een man had in sijn huys een hoop van jonge maegden
Die menigh jongh-gesel met allen wel behaegden;
Dies quá de steedsche jeugt daer meest den gantschen dach,
En nam daer soet vermaeck, gelijck de jonckheyt plach;
Van allen wasser een, die inde vreemde landen
Een leven had geleyt als buyten alle banden,
Geen meyt en woonter by die niet een sellen strijt
Die niet een harden storm, op haren maegdom lijt;
En, nae den rechten eysch, ten vollen op-gesworen,
Hier sprack hy dickmael van, oock met een vollen mont,
Als of het slim bejagh hem wel en eerlijck stont;
De vader letter op, en heeft hem waer genomen,
Als hy hem weder sagh ontrent sijn dochters komen,
Hy beet hem in het oir: Versiet u, goede vrient,
My dunckt dat u beleyt ons dochters niet en dient.
De Quant hierom gestoort, en wonder seer gebeten,
Wou strax, en eer hy gingh, hier van de reden weten,
Hy seyt 'ken weet niet wat, en weyt geweldigh breet,
De vader, hart geperst, die gaf hem dit bescheet:
Wie schoone katten heeft die moet geduerigh mercken
Op gasten af-gerecht om in het bont te wercken,
Want die van 't ambacht is, en siet een aerdigh bont,
Tis vreemt, soo hy het laet als hy het eertijts vont.
Die een schoone kat heeft, en dient gheen
bont-wercker in huys te brengen