$ TEXT_EXPL_XML
Ist niet een spijtigh dingh! de schoonste van de peren,
Die ick nu langen tijt van yeder sag h begeren,
Die ick soo menighmael soo boven maten prees,
Die yder een belough, en met den vinger wees,
Ach! die is van den boom, en in het slick gedropen,
En light nu van de sleck, en van de pier bekropen,
Die is soo ongesien, dat wie het oost genaeckt
Stracx metter herten walgt, en metter kelen braeckt;
Verscheyde mael geseyt, ( en vry met groote reden )
Dat sy de schoone vrucht te lange weder-hiel,
Dat sy de rijpe peer sou plucken eerse viel;
Maer of ick heb gesmeeckt, dan of ick heb gekeven,
Daer was geen seggen aen, het isser by gebleven;
Mijn reden, mijn gesmeeck, mijn bidden galter niet,
Nu leydtse daer bedot gelijck een yeder siet.
Noch ben ick even soo met onse Fy gevaren,
Dat was een fluxe meyt van ses-en-twintigh jaren,
Vet, lijvigh, wel geborst; de buerte waegder van,
En riep my dickmael toe, haer dient een rustigh man.
En schoon ick dese saeck geduerigh heb gedreven,
Mijn wijf en heeft haer noyt tot reden willen geven,
Sy rieper tegen aen; Het is noch al te vrough,
Beyt tot een ander jaer, dan isset tijts genough.
Ick sweegh om vredes wil, en lietet henen sleuren,
Maer bloet, gelijck ick ben, ick moetet nu betreuren;
Want Sy die heeft gepopt met Iorden onsen kneckt,
Daer staet nu Trijntje moet en siet geweldich slecht.
Wel leert, รด Bogert-man, op uwe boom-gewassen,
Leert vaders, als het dient, op uwe dochters passen,
Want die uyt onbescheyt hier op geen acht en slaet,
Beklaeght hem menighmael wanneer het is te laet.
Siet! als de pere bloost dan plachtse licht te vallen,
En als de vrijster rijpt, soo wiltse veeltijts mallen;
Dus wilt ghy van verdriet en schande zijn bevrijt,
Vent, vent dit weecke freuyt, en dat te rechter tijt.
Als de pere rijp is soo valtse geerne int slick
ID embstma_1288_emblem041 CHILDREN CHILDREN_SQRT 0