$ TEXT_EXPL_XML
Al sijn mijn beenen sterck, al heb ick jonge leden,
Al kan ick dagen langh op harde wegen treden,
Noch stae ick niet-te-min op desen tijdt verstelt,
Vermits mijn los gestel nu hier dan ginder helt:
En 'tis noch evenwel geen swaerte dat ick drage,
Ten is geen wichtigh pack daer van ick heden klage,
Het is ( gelijck ghy siet ) een wispel-tuyrigh wijf,
Dat sit ( 'ken weet niet hoe ) my scherlinx op het lijf.
Sy heeft een dertel hert, en dan oock ronde billen,
Sy krevelt evenstaegh en moet in roere zijn;
De rust is haer verdriet, het stille wesen pijn.
Ick hebbe grooter last voor desen moeten dragen,
'k En vondt noch evenwel geen reden om te klagen,
Want hoe het immer ging, ick droeg het wichtig pack,
Ick droegh het daer ick wou, oock sonder ongemack;
Maer dit aelweerdigh dingh gaet buyten alle reden,
Het ruckt my daer het wil, en druckt my opte leden,
En schoon ick voor my sie, soo veel ick immer kan,
Noch swier ick onder haer gelijck een droncken man.
Maer, Leser, nae my dunckt, ghy wenst om eens te weten
Hoe dat sy, dien ick draegh, in Hollandt wordt geheten;
Wel hoortet met een woort: Vrou Weeld' is hare naem,
Tot jock, tot enckel spel, en anders niet bequaem;
Sy heeft soo vreemden aert, soo bijster malle kueren,
Geen heldt, geen machtigh reus, en kander onder dueren,
Want krijgtse maer een voet oock op een deftigh man,
'Tis hondert tegen een soo hyse voeren kan:
Of weeter eenigh mensch haer lossen aert te dwingen,
Soo datse niet geheel, en mach int wilde springen,
Ten gaeter evenwel niet al gelijck het sou,
De geck wil niet-te-min by wijlen uytten mou.
Wel, Vrienden, tot besluyt, soo Weelde koomt getreden,
Of met een vollen loop naer uvvent toe gereden;
Soo grijptse met bescheyt, en houdtse dapper vast,
Want siet! al isse licht, het is een svvare last.
Wat Venus voeght, dat scheydt de klippel.
Gijs was een jonge wulp, hy kon geen weelde dragen,
En wou voor al een wijf, en ging het Fijtjen vragen,
Een spits, een vinnigh dingh, een plage voor huys,
Vry moytjens op-getoyt, maer, ester niet te pluys.
Sy wiste, nae den eysch, haer faecken wel te drijven,
Sy had een rappe tongh, en konde deftigh kijven;
En 'twas genoegh bekent, een 'twert oock Gijs geseyt,
Maer des al-niet-te-min, hy wou de lieve meyt.
Sy weet de weyger-kunst, en laet den vryer draven,
Sy weet hem op de maet, en nae de kunst te laven;
Sy, des al niet-te-min, die maeckt een kort besluyt,
Want gijs die was een bloet, en Sy die werdt de bruyt.
De bruyloft wort geraemt, men noot meest al de vrienden,
Men noodter boven dat oock dieder niet en dienden,
Het voor-spel mette feest, de eerst' en tweede nacht,
Die worden als gelijck met vreugde door gebracht;
Maer als de derde Son quam nae de trou geresen,
Doen schoot Gijs uytten slaep, en woude meester wesen,
Daer gingh Sy tegen aen, en yder even kloeck,
Maer Gijs die bolt te kort, en Sy behoudt den broeck;
Dies gaet de goede man met neer-geslagen wangen,
Hy laet sijn moedigh hooft, hy laet sijn ooren hangen,
Hy roept schier even-staegh: Och waer ick weder vry,
Eerst wasset, Fijtje lief, nu isset niet als, 'tsy!
'tSy dat ick oyt began; 'tsy dat ick immer troude,
Och waer ick dat ick was, ick weet wat dat ick soude;
'tSy van mijn wrange Sy, en van haer sellen aert;
't Sy van den slimmen dach daer op ick ben gepaert.
Dit roept de droeve Gijs oock dickmael gantsche dagen,
Want hy wort staegh begraeut, en somtijts oock geslagen,
Wel Gijs ghy waert niet wijs, want siet u sot bedrijf
Om een lit wel te doen soo lijdt het gantsche lijf.
SEQ 56 PARENT embstma_1288 HIM GUL ; MNE ; EMBLEMS ; ILL_BOOK URL_IMAGE embstma_1288_pic245.jpg TIPE emblempictura NEXT embstma_1288_emblem057 IIHIM GUL ; MNE ; EMBLEMS ; ILL_BOOK CAPTION_EN reserved for caption SOURCE_FILE embstma_1288.xml MOTTO_NL_NORM 't Zijn sterke benen die weelde dragen kunnen LINK_FACSIMILE embstma_1288_fac245 TYPE emblem pictura IC 86('T ZIJN STERCKE BEENEN DIE WEELDE DRAGEN KONNEN) PREV embstma_1288_emblem055 MOTTO_NL
't Zijn stercke beenen die weelde dragen
konnen