$ TEXT_EXPL_XML
Al quispelt Leeuwtje metten steert,
Al troutelt Leeuwtje sijnen weert,
Al jancktet met een Iuyde stem,
Al looptet voor, en achter hem,
Al sit het beestje geestigh op,
AL draeyt het als een snellen top,
Al biet het dickmael sijnen poot,
Ten krijght niet altijt witte-broot;
Al isset niet ten vollen sat,
Hoe wel het slecht en deerlick siet
Ten krijght noch al sijn wille niet.
Al schijnt dit slecht, gelijck het leyt,
Het is noch efter wa geseyt,
Ghy, weeghtet in de rechte schael,
Het kan u dienen menighmael,
Het kan u dienen tegen lust,
Die noyt of selden is gerust;
Het kan u dienen over al
Waer datmen vreughde plegen sal:
Men hoeft voorwaer het vveeligh vleysch
Niet staegh te geven sijnen eysch,
Dus schoon yet somtijts mach bestaen,
Het is al beter niet gedaen,
En geeft een vrou, een vrient, een kint,
Niet alles vvat haer breyn versint,
En geeft u eygen sellefs niet
Al vvat u vveiligh hert gebiet,
Ick mocht, en ick en dedet niet,
En vvas in vreughde noyt verdriet;
Wel schrijft dit vvoort in u gemoet
Het is u aller vvegen goet.
Non se da tanto pane al cagnuolo quanto la sua
coda dimanda