$ TEXT_EXPL_XML
Besiet eens dese twee, die in voorleden jaren
Gantsch vuyl in haer bedrijf, en rechte slonsen waren,
Die zijn nu wonder net, en uytter-maten kuys,
Sy boenen even selfs de gronden van het huys;
De pannen aen den heert, die niemant van de bueren
Oyt anders is gewoon als binnen in te schueren,
Die kuyst dit aerdigh volck oock aen den uytter-kant,
Al hangt die meesten tijt te midden in den brant.
Met al te dommen ernst haer oude rancken vlieden,
Want mits sy bijster hardt, en sonder reden gaen,
Soo koomt de tegen-seyl niet selden opte baen.
Wort niet een quiste-goet, wanneer hy wil bedaren,
Wel dickwils al te seer genegen om te sparen?
Spilt niet een gierich mensch ( als hy nae miltheyt tracht )
Wel dickmaels sonder maet, en boven sijne macht?
'Tis beyde sonder gront, en tegen goede zeden,
'Tis beyde sonder slot, en buyten alle reden.
Wel, vrienden, weest beset, en houdt de rechte maet,
Ten is geen ware deught die uyt den regel gaet.
punte della dita
Guardati d'aceto de vin dolce
Wanneer daer yemant maeckt asijn,
En neemter toe den soetsten wijn,
Die krijgter van het suerste vocht
Dat oyt op tonge bijten mocht,
Want als het soet sijn aert verlaet,
Niet dat sijn suer te boven gaet;
Onthoudt dit woort, geminde vrient,
Vermits het alle vrienden dient.
Als vrienden uyt een mis-verstant
Eens worden tegen een gekant;
Als broeders, om, men weet niet wat,
Door wrevel worden op-gevat;
Of als de vader en het kint
Sich tegen een ontsteken vint;
Of dat twee lieven metter tijt
Vervallen tot een wrangen spijt,
Soo vindtmen dat haer sellen haet
Gants boven alle peylen gaet;
Want als sich vrientschap omme-went
Soo isser onlust sonder ent:
Ghy, daerom al die vrienden zijt,
En geeft de gramschap geenen tijt,
Maer isser yet dat qualick staet,
Soo heeltet weder metter daet,
En of ghy schoon een reysjen kijft
Soo maeckt noch dat ghy vrienden blijft.
fer essig draüss wird
Simultates inter parentes & liberos, amicos & consanguineos sunt
;Mai non divento fiume grande, chen non n'entrasse
aqua turbida.
Noyt beeck en is in haest gegroeyt,
Soo datse krachtich heenen vloeyt,
Of dat haer stroom de landen deylt,
En dat op haer een kage zeylt,
Of wis sy heeft van onklaer nat
Al vry wat veel in haer gevat.
Als yemant wort in haesten rijck,
Oock verre boven sijns gelijck,
En datmen niet ter deegh en siet
Waer uyt sijn aenwas is geschiet,
Dat hieltmen eertijts voor een dingh
Dat niet, gelijck het sou, en gingh;
Men hieldt, dat snel en haestigh goet
Al vry wat onklaer wesen moet;
En schoon het slaet by wijlen mis,
Men vintet daer het seecker is.
Wat dient hier langer op gestaen?
Hy, dient het raeckt, die trecket aen.
Als morsige lieden kuys worden, so schue-
rense de panne van achteren