$ TEXT_EXPL_XML
Eerst als ick desen gans geweldigh hoorde rasen,
En ick en weet niet wat uyt hare kaken blasen,
Doen was ick vry ontset, en stont gelijck bevreest,
Ick meynde voor gewis het was een grousaem beest:
Ick meynd' een grooten beyr, of leeuw te sullen vinden,
Of wel een fellen draeck, die menschen kan verslinden,
Ick kreegh in mijn gemoet, vermits het snar geluyt,
Een selsaem nae-gepeys, een wonder vreemt besluyt:
Om ons met volle kracht ter weer te mogen stellen,
So spreeck ick tot my selfs; Wat ben ick voor een geck!
Dit beest heeft anders niet als slechts een platten beck;
Geen tanden in den muyl, geen klaeuwen aen de voeten,
Geen kromme nagels selfs, om in het slick te wroeten,
'Tis al maer enckel wint, schoon dattet vinnich siet;
,,Gesellen, weest gerust, de blasers bijten niet.
Wijt gapen en bijt niet /
Veel blasen en smijt niet.
...
...
...
Parturiunt montes.
Men houdt dat eens de Faem, al over lange jaren,
Quam roepen door het landt, de rotsen sullen baren,
De rotsen zijn bevrucht, haer tijdt die is vervult,
En daerom is het lijf hun wonder hoogh gebult.
Stracx quam daer op het volck met hoopen aen-gedrongen,
En met een nieusgier oogh te wachten op het jongen,
De velden zijn bedeckt, de dijcken vol getast,
De boomen over al gebogen van den last;
De grootste van het landt die komen aen-gereden,
En al die minder zijn komen aen-getreden;
Daer roeptmen over-hoop, al watmen roepen mach:
Wat sal hier voor een spoock gaen komen aen den dach?
Wat salder voor een dier sich heden openbaren,
Dat inde moeder lach soo menigh hondert jaren!
Hoe sal het wesen zijn van soo een grousaem beest,
Waer voor dat al het landt en al de werelt vreest!
Hoe sal het monster sien! hoe bijster sal het krijten!
Hoe sal de felle rots n groote stucken splijten!
Voorwaer indien het jonck de moeder is gelijck,
Soo wilt noch heden zijn gelijck een hoogen dijck.
Ontrent den hoogen bergh met al de sinnen hangen,
Veel sieter even-staegh yet wonders in den geeft,
d'Een hoopt 'ken weet niet wat, en d'ander is bevreest;
Ten lesten, soo het scheen, soo gingh den berrigh open,
En siet! daer koomt een dier ter zijden uyt-gekropen,
Een dier, een wonder dier; maer raedt hoe dat het hiet?
Een muys, een kleyne muys, en anders isser niet.
Stracx rijster groot gelach uyt soo veel duysent monden,
Die in dit vreemt gesicht sich al bedrogen vonden;
Doch verr' het meeste deel is uytter-maten gram,
Om dat het om een muys soo verr' geloopen quam.
Maer dat het slimste was, die 'thuys gebleven waren
Die vraegden spots-gewijs, hoe dat de jongen varen,
De jongen van den bergh, en wie de vrucht ontfingh,
En wie de klopper-doeck quam binden aen den ringh.
Siet dus verdween de Faem, die met een schielick blasen
Te samen hadd' gebracht een hoop van losse dwasen,
Haer stem, haer groot geraes, al schreeudet wonder luyt,
Dat is van oudts gelooft, dat van uyt-mondigh roemen,
Hoe luyde datmen roept, niet veel en plagh te koemen;
Ghy, weest hier wijser in, en houdt my desen voet,
,,Let niet wat yemant seyt, maer wat een yder doet.
De gans blaest wel, maer en bijt niet
TYPE emblem pictura IC 86(DE GANS BLAEST WEL, MAER EN BIJT NIET) PREV embstma_1288_emblem103 MOTTO_NL De gans blaest wel, maer en bijt niet ID embstma_1288_emblem104 CHILDREN CHILDREN_SQRT 0