$ TEXT_EXPL_XML
Dit was een moedigh peert, en heden noch beslagen,
Het ging wel deftich aen, oock somtijts gantsche dagen,
Het gingh een staegen tret van dat ick neder sat,
Oock was de wegh bequaem, en geensins glibber-glat;
Noch reed' ick met bescheyt, en geensins om te mallen,
En siet dien onverlet, het peert dat is gevallen;
Daer ligh ick nu, eylaes! daer ligh ick moedigh quant,
Gedommelt in het stoff, geslingert in het sant.
En uyt het ongeluck mijn dwaesheyt onderwijsen;
Ghy, segh eens, mijn vernuft, wat ick uyt desen val
Voor my, en mijns gelijck, ten nutte brengen sal?
Ey wat is ons verstant! Wy gaen op losse beenen,
En dan oock alder-meest als wy het seecker meenen;
Men vint, nae mijn begrijp, niet een soo vasten man
Die niet een lossen pas by wijlen doen en kan.
Al is die ruyter gaeu, noch sal hy somtijts glippen;
Al is de visscher sneeck, hem kan een ael ontslippen;
Wat dienter veel geseyt? de beste van den hoop
Heeft dickmael ( eer hy 't meynt ) de sinnen op den loop.
Il n'y à si bon chartier qui parfois
ne verse.
...
Nul cheval si bien ferré qui ne glisse
PREV embstma_1288_emblem105 URL_IMAGE embstma_1288_pic450.jpg IC 86(NUL CHEVAL SI BIEN FERRÉ QUI NE GLISSE) ID embstma_1288_emblem106 CHILDREN CHILDREN_SQRT 0