$ TEXT_EXPL_XML
Wanneer de oude seugh haer parten heeft bedreven,
En datter niet een pot is ongeschent gebleven,
Soo tijt het dertel swijn in haesten op den loop,
En laetet al-te-mael daer liggen over-hoop;
De meester van het huys hier over gants verbolgen,
Vloeckt op het grilligh dier, maer weetet niet te volgen;
Dies ranst hy metter daedt de kleyne biggen aen,
Die daer ontrent het huys onnoosel henen staen;
Soo dat aen alle kant de jonge dieren krijten,
De sogh gaet onderdies en wandelt in het gras,
Bewust, gelijck het blijckt, van datter gaende was.
Dit sietmen menighmael, oock nu in onse tijden.
De Vorsten hebben schult, de kleyne moeten lijden,
Want daer een moedigh Prins verkeerde slagen doet,
Daer isset dat het volck de straffe dragen moet.
Als de jonckers blint-rousen / dan
moeten de boeren hayr laten
Eau trouble gain do pescheur.
Het beeldt soude mogen zijn een visscher die met sijn pols het vvater
troubel maeckt, en de visch naer de netten jeagt; deselve spreeckt aldus:
Vraegt yemant wat ick doe? Ick ben gesint te vissen,
En waer het troubel is daer plaghtmen niet te missen;
Maer als in tegendeel de beke stille staet,
Soo wortmen licht gewaer al watter omme-gaet:
Men kan in dat geval op onsen handel letten,
Men siet dan al te klaer tot in de bloote netten,
Men siet het loos beleyt, en al het slim bejagh,
Soo datmen tot het meyr niet eens genaken magh.
Maer 'tgaeter anders toe wanneer wy raeuwe gasten
Met polsen over-al tot in de gronden tasten,
Dan wort het water dick, en daerom rijst de vis,
En mits hy niet en siet, soo is de vangh gewis.
Wat dienter meer geseyt? die niet en weet te woelen
En kan geen visser zijn in dese laye poelen:
Gelooftet, vissers kint, de stile doet belet,
En 'tis van outs geseyt, daer't rommelt isset vet.
In troubel water is goet visschen.
ac tempestuoso aëre vivat, ac vigeat; fereno verò coelo emoria-
tur. Alius Camelo eos similes facit, qui bibere non dicitur, nisi
prius pede fluvium moveat, & aquam turbidam faciat: unde
Symbolum la trouble me plaist. Vid. Erasm. adagio, Anguillam
captare: ubi citat versus Aristoph. in Equitibus, qui ita Latinem
sonant:
Namque accidit tibi, quod anguillas qui aucupantur
Ubi quieta stat palus, nihil piscium reportant,
Contra lutum si moverint, sursum atque deorsum
Capiunt, ita ipse capis, ubi rempublicam inquietas.
Hanc artem, inquit Erasmus, callent quidam principes, qui dissi-
dia norunt serere inter civitates, quò licentius mulctent.
Gesellen, letter op, waer boomen neder vallen,
Daer is terstont het volck genegen om te mallen,
Een yder tijdter aen, als tot een vollen roof,
Een gijpter nae de vrucht, een ander naer het loof,
Een derde klimter in, en set hem in de tacken,
En wilse met gewelt tot enckel mutsert hacken,
De vierde grijpt de bijl, en klooft de gantsche stam,
En maeckt de wortels selfs tot voetsel van de vlam:
Een van den jongen hoop, geprickelt van de minne,
Koomt swieren uyt het dorp, met Cloris sijn vriendinne,
Die grijpt het fijnste rijs, en vlecht een groenen krans,
En setse 'tmeysjen op, en leytse nae den dans.
In 't korte, gants het dorp dat soeckter yet te plucken,
Dat haelter sijn gerief, en al met groote stucken,
De boomen onder dies die steylen en hooge staen
Daer koomt geen dertel kint, geen stoute lecker aen.
Vraegt niet wat dit beduyt; het zijn bekende dingen,
Het laegste van den tuyn dat wil men over-springen;
Den hont die onder leyt dien bijt het gansche rot,
En wien het qualick gaet en is maer enckel spot.
All' albero che è secco, Taglia, ta-
glia.
...
kraeyen sitten, hem pickende; de vvolf sijn stijven hals niet konnen-
de draeyen, poogt die te vergeefs vvegh te jagen.
Eens was ick hoog-geducht: geen beyr en quam my tergen,
Geen leeuw en hadder lust om my denk krijgh te vergen,
Ick was in 't wout gesien, en over-al gevreest,
Maer nu ben ick een spot oock van het minste beest,
Oock van, 'ken weet niet wat; nu ryen my de kraeyen,
Om dat ick mijnen hals niet om en weet te draeyen,
Om dat ick niet en ben, om dat ick niet en mach,
Om dat ick niet en doe, gelijck ick eertijts plach.
Nu ben ick maer een romp, want oock mijn eyge jongen,
Die komen tegen my, en over my gesprongen:
Eylaes wat sal ick doen? mijn gantsche lichaem beeft,
'Tis uyt wanneer de wolf sijn tanden over-leeft.
Wat de seuge doet moeten de biggen
ontgelden