$ TEXT_EXPL_XML

Het is een oude spreuck; Wie net wil leeren scheren, Die moet eerst een geck tot sijn kalant begeren; Vraegt yemant, waerom dat? wel hoort de reden aen, Wie malle koppen scheert heeft selden haest gedaen; By-naest op yder hayr dient raedt te zijn genomen, En schier op yder knip soo moet de spiegel komen; Dan isser yet te langh, dan weder yet te kort, Dan yet aenden kuyf of aenden knevel schort; Hier dient de baert gerecht, en daer het hooft gewreven, En ginder noch een schrap ontrent het oir gegeven; Want daer leyt hem de key. Een hooft te bijster net Heeft ick en weet niet wat, dat hem van binnen let.

;

By moeyelicke heeren Is veel te leeren.

;

In caducam parietem ne inclina. Het beelt soude konnen vvesen een reysende man met een meersche of- te ander pack, vvillende steunen op een bouvalligen muer, ende daer van over-stort zijnde, klaegt als volgt: Och! wat een swaer geval is my daer over-komen! Het lijf is my gequetst, mijn gantsche kracht benomen, En sooder yemant vraeght wat my ontbreecken magh, En hoe ick soo in haest ter aerden neder lagh? Die hoore mijn bescheyt: Ick quam met rasse schreden, Ick quam met dese meersch een verren wech getreden, Dies was ick wonder mat, en uytter-maten heet, Bestoven over al, en niet als enckel sweet; Ick sloegh mijn oogen om door al de naeste kusten, Ick socht een goede plaets om daer te mogen rusten. Ten lesten quam ick hier, en vondt een out gebou, Daer leund' ick tegen aen, op dat ick rusten sou; Maer als ick neder steegh, en meynder op te steunen, Siet doen began de muer van stonden aen te dreunen, Te storten over-hoop; daer viel de losse steen My boven op het hooft, en onder op het been. Wel, vrienden, hoort een woort: heeft yemant moede leden, Die kiese geenen troost, als op gesette reden, Want nae dat ick 't gevoel en isser niet soo quaet Dan alsmen sich te licht op eenigh dingh verlaet. Al wie dat steunsel soeckt aen krom-gebogen mueren, Die moetet voor gewis met herten-leet besueren, Want die een riet-stock noemt den gront van sijnen stant, Die breeckt het teer gewas, en quetst sijn eygen hant.

;

Twee naeckten en konnen malkanderen niet kleeden. ...

MOTTO_FR_NORM A barbe de fol apprent on à raire SEQ 115 PARENT embstma_1288 TYPE emblem pictura TIPE emblempictura NEXT embstma_1288_emblem116 IIHIM GUL ; MNE ; EMBLEMS ; ILL_BOOK CAPTION_EN reserved for caption SOURCE_FILE embstma_1288.xml LINK_FACSIMILE embstma_1288_fac480 MOTTO_LA

A barbe de fol apprent on à raire

HIM GUL ; MNE ; EMBLEMS ; ILL_BOOK MOTTO_FR A barbe de fol apprent on à raire PREV embstma_1288_emblem114 URL_IMAGE embstma_1288_pic480.jpg IC 31A5111 ; 31A535 ; 86(A BARBE DE FOL APPRENT ON À RAIRE) ID embstma_1288_emblem115 CHILDREN CHILDREN_SQRT 0