$ TEXT_EXPL_XML
Als yemant over wegh in haesten koomt getreden,
En struyckelt metten voet, maer recht dan noch de leden,
Die maeckt dan snelder vaert als hy te voren plach,
En siet oock beter toe als hy te voren sach.
Siet daer een soeten troost voor alle vrome zielen,
Sy worden op-gerecht, ock doense neder-vielen,
Al slibbert menighmael, al glibbert hun de voet,
Sy blyven efter staen, en maecken beter spoet.
De prickels van het vlees die zijn u nutte sporen:
Recht flucx de leden op, dat voegt een Christen man,
Nadien hem oock het quaet ten goede dienen kan.
Die struyckelt en niet en valt / vor-
dert wegh.
...
Een gebranden hont vreest oock het
kout water.
Het beeldt kan zijn yemant die uyt een beeck op een hont vvater
sprengt, de hont daer van in aller ijl vvech loopende.
Verdriet, anxt, tegenspoet, en diergelijcke slagen
En zijn niet alle tijt te noemen quade plagen;
Want boven menigh nut dat hier uyt rijsen kan.
Soo maeckt het ongeval een kloeck een handigh man.
Men segge watmen wil, die sachtjens heeft geseten,
En kan niet, soo het dient, veel nutte saecken weten,
Maer een die list en leet heeft dickmael uyt-gestaen,
Leert wat de werelt is, en hoe de saecken gaen.
Een vos die aen het lijf den strick eens voelde prangen,
Is naemaels wonder schouw, en qualijck om te vangen;
Een vis die eens den haeck wert in het aes gewaer,
Wat voedtsel datse vint daer vreestse voor gevaer;
Een schaep dat eens den wolff is uytten mont genomen,
Wil naeu sijn harders hont ontrent hem laten komen;
Een duyff wel eer ontspant de klaeuwen van den valck,
Al wasse voor-tijts slecht, de wort ten lesten schalck;
Een mensch die inden storm eens schipbreuck heeft geleden,
Vreest oock een stille ree, en vry niet sonder reden;
Een hont die eens het lijf van sode was verschroeyt,
Schrickt oock voor killigh nat dat in de beecken vloeyt;
Een huys-man in het wout eeens vande slangh gesteken,
Of schoon hem al de giff is uytet been geweken,
Die houdtet voor verdacht soo maer een hagedis
Koomt stijgen uyten braem, of uyt het groene lis.
Want dienter noch geseyt? De schippers leeren varen,
Niet inde stille zee, maer inde felle baren,
Want dien het altijt gaet of naer of boven wensch,
En weet noyt, so het dient, de gronden vanden mensch.
Dat kan oock gecken selfs tot wijse lieden maecken,
'tSy hem die my bedriegt, maer soo hy 't weder doet,
Soo is het 'tsy voor my, en ick ben maer een bloet
Pare alli sorci scampati sempre,
...
vvilt-gevvassen en vvijngaert.
Of schoon u hovenier den wijngaert placht te snoeyen,
Soo datse niet en mach in volle tacken groeyen,
Ghy, denckt noch evenwel niet eens in u gemoet
Dat hy de plante schent, of eenigh hinder doet;
Ghy, weest hier in gerust, oock sonder eens te klagen,
Al isser weynigh houts, het sal te beter dragen;
Siet, watmen neder houwt ( daerom ghy zijt beducht )
Dat is maer los gewaey, en loten sonder vrucht.
Wat isser aerdt gemoet, wat isser al te klagen
Van druck, en tegenspoet, van veelderhande slagen
Die u den Hemel sent? ey lijdt de nutte pijn,
Het vleys is u te gul, het dient gesnoeyt te zijn.
Geluckich is de mensch, oock midden in het lijden,
AlsGodt , door harde tucht, sijn herte koomt besnijden;
Wel snoeyt, ô Vader, snoeyt, en ruckt uyt mijn gemoet
Al wat in eenigh deel u vruchten hinder doet.
Quien estropieça, si non cae el camino adelanta
HIM GUL ; MNE ; EMBLEMS ; ILL_BOOK IC 86(QUIEN ESTROPIEÇA, SI NON CAE EL CAMINO ADELANTA) PREV embstma_1288_emblem118 URL_IMAGE embstma_1288_pic497.jpg ID embstma_1288_emblem119 CHILDREN CHILDREN_SQRT 0