$ TEXT_EXPL_XML

Dit licht, mijn weerde kint, de fackel van het leven, Was van het hoogste Licht voor desen my gegeven, Nu heeftet voor een tijt, nu heeftet my gedient, Ick gevet heden u, als aen mijn naesten vrient. Ick heb het langh gebruyckt, en ben met staege schreden Op mijn bescheyden wegh ten eynde toe getreden, Nu ben ick op het lest, nu ben ick aenden put, Daer is een licht bequaem, daer is een fackel nut: Ghy hebt in tegen-deel van heden af te dwalen, Nu op een hoogen bergh, dan inde laege dalen, Nu op het vette kley, dan op een dorre strant, Nu op een harde klip, dan op een driftich sant; Treet op de rechte baen, en mijdt de slimme wegen, Gaet midden op de straet, en schouwt de vuyle stegen; En twijl u jonckheyt duert maeckt dat ghy niet en malt, En als ghy trager wort, siet dat ghy niet en valt. Wel gaet dan, lieve, gaet, ô spruyte mijner lenden, Ghy waert mijn eygen vleys, eer u de lieden kenden, Ick ben nu uyt-geleeft, en ghy begint de reys, Ick gae nu, siet ick gae, den wegh van alle vleys: Dit is des werelts loop, de kloeckste menschen leven Tot sy een ander mensch den fackel over-geven, Dus gaet de snelle tijt, gelijck een staege stroom, Dus steeckt het nieu gewas het oude vanden boom.

Glaucus apud Homerum. ...

La vie d'homme, vn chemin d'hyver. Het leven van den mensch is even soo gelegen Gelijck des winters doet de gronden van de wegen, Al wie dan reysen moet die isser qualijck aen, Want 'tisser glibber-gladt al waer hy meynt te staen: Men vint geen wagen-spoor, geen peyl van mensche treden, Het schijnt een staege sloot daer eerst de koetsen reden, ''t Is al gelijck een meyr, waer datmen henen siet, Men kent den rechten padt, men kent de graften niet; En offer al misschien een plaetse wort gevonden Daer voor een kleynen tijdt de voeten seker stonden, Het is een kort vermaeck, want nae den tweeden pas, Soo isset weder vuyl gelijck het elders was. Wat raedt in dit gevaer? niet beter als te letten Waer datmen even-staegh de voeten heeft te setten En dit tot datmen koomt op't eynde vanden dagh, Daer een vermoeyde ziel haer ruste vinden magh; O wegh, ô ware Wegh, bestiert mijn losse gangen, Op datse nimmermeer int slick en blijven hangen. Geeft dat wy, voor belsuyt, ten lesten mogen gaen Daer nimmer winter koomt, maer eeuwigh rosen staen. ...

;

Por ningun tempero, no de- xes el camion real, por el sendero.

;

Nach den bletteren fallen die beum. Wanneer ick trede door het wout, En sie het rijs en jeuchdigh hout, En dat ick vind' een populier, Een hoogen eyck, een lagen vlier, Een lind', een ijp, een buck, een es, Terstont soo krijgh ick daer een les, Want t' wijl ick eensaem stae en poogh Mijn geest te voeden door het oogh, Soo vind' ick sonder twijffel wat Dat dienstigh is te zijn gevat. Een boom die vanden gront bederft, Of onder aen den wortel sterft, Diens af-ganck sietmen aen den top, Wan hy krijgt stracx een dorren kop, En wort soo voort in korten tijt Sijn loof en groene bladers quijt, Tot hy gants kale tacken krijgt, En dan eens mede neder-sijgt. Al wast de mensch niet uyt het velt, 't Is even dus met hem gestelt, Want als de jeugt hem nu begeeft, En dat hy schier is uyt-geleeft, Sijn hooft dat wort hem kael en glat, Sijn aensicht rimpelt boven dat, Sijn tant, die vast gewortelt stond, Die komt hem vallen uyt mont, Wel ghy, wien dus de jeugt ontvalt, Ey lieve, 'tis genoegh gemalt, Gaet maeckt u veerdigh tot de reys, Ghy treet den wegh van alle vleys, Want als de tacken vooren gaen Hoe kan de boom dan lange staen?

SEQ 120 PARENT embstma_1288 TYPE emblem pictura TIPE emblempictura NEXT embstma_1288_emblem121 IIHIM GUL ; MNE ; EMBLEMS ; ILL_BOOK CAPTION_EN An old man passing on a lantern to a younger man SOURCE_FILE embstma_1288.xml LINK_FACSIMILE embstma_1288_fac502 MOTTO_LA

Lampada trado

HIM GUL ; MNE ; EMBLEMS ; ILL_BOOK IC 31A2512(+9341) ; 31D14 ; 31D160 ; 41B33(+1) ; 42E31 ; 51F2(+4) ; 86(CURSU LAMPADA TRADO) ; 86(LAMPADA TRADO) PREV embstma_1288_emblem119 URL_IMAGE embstma_1288_pic502.jpg ID embstma_1288_emblem120 MOTTO_LA_NORM Lampada trado CHILDREN CHILDREN_SQRT 0