$ TEXT_EXPL_XML

Een seer schoone bedaeghde vrouwe, we- sende naeckt, doch met een sijn en wit kleedjen bedeckt, hebbende een groene sluyer voor een hals gordel, alwaer op ge- schreven staet: In te Domine speravi, dat is, Heere in u heb ick gehoopt. Voor haere voeten sullen leggen, niet alleene kostlijcke kleederen, goude ketenen, peerlen, edele gesteenten en andere rijckdommen, maer oock blonde en opgetoyde vlechten en paruycken, diese van 't hoofd heeft afgenomen, toonende datse sonder ciersel of palleersel is. Zy staet met het hoofd verheven, en de oogen ten hemel gekeert hebbende, sietse een heldere en klaerblinckende straele, stortende over- vloedige traenen. Zy hout beyde handen kruyslingh voor de borst, vertoonende teyc- kens van groot berou en leetwesen. Voor haere voeten sal een Hydra of vreeslijck ge- drocht staen met veele hoofden en krullen, dat haer aenrant en onder de voeten wil werpen. Schoon wortse gemaelt, om dat dese le- lijck is, die daer leeft in doodelijcke sonden; en in't tegendeel is die ten hoogsten schoon, die verre van de sonde is, en sich tot God bekeert. Van middelbaer Ouder is zy gestelt, om dat Aristoteles seght, dat de bedaegtheyt het midden is, tusschen d'Ouderdom en Ionck- heyt: om dat dees Ouder alle goed heeft, dat tusschen de Iongheit en Ouderdom is, te weten van alle jeugdelijcke dertelheden en ouder lieden gebreken, afgescheyden; maer in dees Ouder, als zijnde het midden, past het best. En daer over kan men seggen, dat in dees Ouder de waere kennis is, om het quaede te vlieden, en het goede te volgen. Oversulx kan men tot ons voornemen dese spreucke passen: In medio consislit virtus, dat is, de deught bestaet in 't midden. Zy is geschildert ofse naeckt was, doch evenwel met een seer wit en dun kleed be- deckt, om te doen verstaen dat de bekeerin- ge moet wesen suyver, oprecht, en van alle wereltsche genegentheden en bekooringe afgescheyden. En de spreuck, In te Domine speravi, waer mede zy omgort is, bediet dat die geene die waerachtelijck bekeert is, het voornemen heeft, om niet wederom van God, door de sonde, te scheyden, en der- halven soo hoopt hy op God, komende so- daenige hoope door 't Geloove, van dat hy in de genaede Gods is, sulx dat dit Geloove in de ziele aenwassende, het vertrouwen te gelijck aenwast, om sich in God te verblijden. De prachtige kleedinge, goude keeten, de kostlijcke edelsteenen, die op der aerde leg- gen, versekeren ons, dat die geene die tot God bekeert is, alle de prachtigheyt, rijck- dom en ydelheyt deses Werelts veracht. Waer over Bernardus seyt, de Heylige verachten alle pracht des lichaems, soeckende alleene een welgecierde ziele. Haere kostlijcke blonde en gevlochten hayren, die zy op der aerden heeft leggen, drucken uyt, dat zy die niet meer gebruyckt, want Pierius seyt dat de hoofdhayren bedie- den de gedachten, sulx dat die sich bekeert, de snoode gedachten moet wegh jaegen en verdrijven: diewelcke, soo die niet worden uytgeroyt en afgesneden, soo verblinden zy het gemoed, en beletten de aendacht van die sich wil bekeeren. Datse haer hoofd om hoogh hout en ten hemel siet, wil seggen, dat het ons eerst be- taemt met een vast vertrouwen tot God te keeren, om van hem genaede te verwach- ten, niet nae onse verdiensten, maer nae sijne grondloose barmhertigheyt. Paulus seght, het Geloove is een gaeve Godes; oock seght David, de Heere sal sijn genade en eere geven, 't welck wy door de klaere en lich- tende straele uytdrucken. De overvloedige traenen die langs haere wangen afdaelen, bedieden berouw en leet- wesen, en gelijck Curtius verhaelt, soo zijn de traenen aenwijsers van 't berouw. En de han- den over malkanderen geslagen met het be- wijs van droef heyt, betoonen de innerlijc- ke smerte, die de bekeerde mensch gevoelt, wanneer hy God heeft vertoorent. Het Hydra of veelhoofdigh Beest, dat nef- fens haer voeten staet, geeft te kennen, dat het betaemlijck is de sonde te verachten en met voeten te treden, diewelcke met groo- te moeyte en swaerigheyt wort overwon- nen en ter aerde geworpen. Daerom doetse groote tegenstand om de bekeerde te ver- hinderen, van datse op den wegh der salig- heyt niet souden wandelen. En daer over vertoonen wy dese Hydra die met wreede krollen tegens haer op staet. En hier van zijn oock dese dichten gestelt. Laet vaeren rijckdom, goud en schatt, Paraycken, ciersels, kostelheeden, Mijn ziel een beter ciersel vatt, Een suyver kleed om mijne leeden: De Adderslangh moet zijn vertreen, Op dat ons ziel geen list magh deere, Ick sie den Hemel, en met een, Een helder licht van God den Heere.

URL_WEBPAGE http://www.dbnl.org/tekst/pers001cesa01/pers001cesa01_0047.htm PARENT embstma_1450 IIHIM GUL ; MNE ; EMBLEMS ; ILL_BOOK ; ARTTHEORY HIM GUL ; MNE ; EMBLEMS ; ILL_BOOK ; ARTTHEORY MOTTO_NL Bekeeringe MOTTO_IT_NORM Conversione TIPE emblempictura NEXT embstma_1450_emblem015 SEQ 14 MOTTO_IT CONVERSIONE CAPTION_EN Conversione: a naked woman, crying, a Hydra at her feet SOURCE_FILE embstma_1450.dmp MOTTO_NL_NORM Bekering LINK_FACSIMILE embstma_1450_fac035 TYPE emblem pictura IC 11Q10:5(+111) ; 22C32 ; 25D11 ; 25FF4231 ; 31AA141 ; 31AA25212 ; 31D15 ; 31B6211 ; 31B6214 ; 41D2 ; 41D2339 ; 41D2661 ; 41D27 ; 41D92 ; 49L73 ; 86(CONVERSIONE) ; 86(IN TE DOMINE) PREV embstma_1450_emblem013 URL_IMAGE embstma_1450_pic035.jpg ID embstma_1450_emblem014 CHILDREN CHILDREN_SQRT 0