$ TEXT_EXPL_XML

Een bevallijcke Vrouwe, hebbende een krans om 't voorhoofd, die met verschei- den schoone bloemen is geciert, in 't groen gekleet en met goud geborduyrt, mette rechter hand houd zy een Overvloets-hoo- ren vol vruchten, Druyven, Olyven, en ver- scheyden andere, in de slincker arm een bos- sel met Kooren-ayren, Geersse, Rijs, Erten en andere diergelijcke: Waer van men siet veele ayren op der aerde vallen, die hier en daer gestroeyt leggen. Schoon en bevalligh isse gemaelt, om dat Overvloet een goed en seer behaeghlijck dingh is en een yder aengenaem, gelijck daer en tegens de diere tijd leelijck en ver- vloecklijck is, strijdig tegens de Overvloet. Zy heeft een bloeme-krans, om dat de Bloemen en Vruchten, die den Overvloet maecken, als Gesanten of Voorboden zijn: zy konnen oock bedieden, de vrolijckheyd en de geneughte van dit brave geselschap. De groene verwe en de goude boorden van haer kleed, bedieden de verwen van de schoone bloeyrijcke Velden, die ons een overvloedige Ooghst beloven, en de Saffra- nige boorden bedieden de rijpigheyt van 't kooren en van de vruchten, die den Over- vloet veroorsaecken. De Overvloets hooren wordt genomen uyt de fabel van Amalthea, gelijck Natalis Co- mes en Ovidius in 't IX boeck van zijne Her- scheppingh verhaelt, 't welck een blijcklijck teycken is van Overvloet. Waer over dit van den Overvloets hooren gestelt is: Najaden hebben my, met appels, bloem en vruchten, Geheylight en verrijckt, in weelden en genuchten. En vermits de Overvloed, een volheyt ge- naemt wort, om datse soo wel in de slincker als rechter hand geladen is, soo stroytse haer Overvloed, hier en daer, op der aerde. Dominicus Ancajanus heeft op den Overvloed Latijnsche dichten gemaeckt, die by ons zijn naegevolght: Siet aen 't Saffranigh Veld, en Ceres met haer vruchten, Die duysentvout ons schenckt haer zeegen en genuchten: De taxkens van den boom met appels zijn gelaen, En 't bolle Druyfken swelt, en neemt het voetsel aen. Hier loeyt de Os in 't veld, hier gaen de Koeytjens grasen, Hier schencktmen vette room uyt frissche Mellick-blasen. De Bosschen voeden 't wild, en 't visken spijst de Zee, En 't Vinxken in de locht dat quinckeleert in vree. ‘Segh nu eens dertel Mensch! wat soudy van den Heere, ‘Van Hemel, Aerd en Zee, noch eenighsins begeeren?

URL_WEBPAGE http://www.dbnl.org/tekst/pers001cesa01/pers001cesa01_0770.htm PARENT embstma_1450 IIHIM GUL ; MNE ; EMBLEMS ; ILL_BOOK ; ARTTHEORY HIM GUL ; MNE ; EMBLEMS ; ILL_BOOK ; ARTTHEORY MOTTO_NL Overvloed MOTTO_IT_NORM Abondanza TIPE emblempictura NEXT embstma_1450_emblem126 SEQ 125 MOTTO_IT ABONDANZA CAPTION_EN Abondanza: a beautiful woman holding a Cornucopia and ears of corn SOURCE_FILE embstma_1450.dmp MOTTO_NL_NORM Overvloed LINK_FACSIMILE embstma_1450_fac400 TYPE emblem pictura IC 25G21 ; 25G41 ; 31D15 ; 41D2339 ; 41D271 ; 43A(+12) ; 47I1111 ; 51H42(+113) ; 86(ABONDANZA) ; 92B11221 PREV embstma_1450_emblem124 URL_IMAGE embstma_1450_pic400.jpg ID embstma_1450_emblem125 CHILDREN CHILDREN_SQRT 0