$ TEXT_EXPL_XML
Een Vrouwe in 't swart gekleet, houden-
de in de rechter hand een bloote bebloe-
de Poignaert, met leerskens aen de voe-
ten, en een goude kleet van achter over de
stelijcke gesteenten.
De Tragedie of het Treurspel wort met
swarte kleederen afgemaelt, om dat dit
kleed treurigh en swaermoedigh is, oock
bequaem in dese slagh van Poësie of Dich-
ten, niet anders in sich begrijpende als ellen-
de en ondergangh der Princen, met een ge-
weldige en wreede dood, 't welck door de
bloedige Poignaert vertoont wort.
En wierde dese maniere van dichten, van
d'Oude, om veele reedenen, gevonden, doch
insonderheyt om de gemoederen der Bur-
geren te verlustigen en te verstercken, die-
welcke souden mogen dencken, door 't goed
vertrouwen datse van sich selve hebben, dat
zy oock souden mogen komen totte Tyran-
nye en totte Regeeringe van andere Men-
schen: Soo hebben zy dan door de Treur-
speelen alle hope van een goede uytkomst
wegh genomen, door het voorbeeld van an-
derer luyden dood en ongeluck, diewelcke
tot dese wreedheyt gekomen zijnde, haer
selven seer groote ellende, over den hals
hebben gehaelt.
Waer uyt dan beslooten wort, dat het seet
goed is sich te vernoegen met een eerlijcke
staet, en sonder andere groote pracht vro-
lijck te leven, en dat met die kleyne middel-
en, die de krancke Fortune, den slechten
Burgeren, heeft verleent.
Zy leert oock den Princen en Heeren,
datse soo geweldigh met den voortgangh
van haere grootsheyt en trotsigheyt, niet
sullen doordringen, tot schaede der Burge-
ren, op datse niet souden gedencken, dat al
haer geluck, jae lijf en leven niet soude staen
in de handen van zijne slechte onderdaenen.
De bebloede Poignaert vertoont, dat niet
slechtlijck de dood, maer de geweldige
dood en d'ondergang van onrechtveerdige
Princen, zijn het ontwerp van de Tragedie
of het Treurspel. En alhoewel Aristoteles, in
zijne Dichtkonst, seyt, datter Treurspeelen
konnen zijn, sonder overkominge van de
dood of stortinge van bloed: soo is 't bo-
ven dit, nochtans beter, in dees voorval,
de maniere van de Poëten te volgen, die die-
selve van tijd tot tijd toe, aldus gemaeckt
hebben, als de geboden en stellingen van een
Philosooph, hoe geleert die oock magh
wesen.
De brooskens wierden van de Princen
gedragen, om haere uytmuntentheyt aen 't
volck te vertoonen, en aen de gemeene slagh
van Mannen: En daerom wierden dese ver-
toonders ingevoert, tot navolginge van die-
selve geschoende, en met dese schoenen die-
der Cothurni wierden geheeten: Om uyt te
drucken dat dese slagh van dichten moet
hebben, dappere en deftige manieren van
spreecken en voorstellen, die niet te slecht
noch al te gemeen zijn. Daer seght Horatius:
Wie datter slechte verssen dicht,
Die zijn in 't Treurspel al te licht.