$ TEXT_EXPL_XML
IV.
HEt Choor der konsten en der deugden is versaemt,
Om 'tOordeel wijslijc van eens yders aert te vellen,
Die op de Reije staen doorluchtigh en befaemt,
Om d'edelste onder haer in 't openbaer te stellen.
Siet hoe Welsprekentheyt den Lauwer wert gegeven,
Wiens Goddelijcke stem stijf door de wolcken streckt,
Die van de Consten werd ge-eert en hoogh verheven:
Die Cicerones heeft tot grooten staedt verweckt.
De Welberedentheyt in een ontuchtigh wesen
Is als vergifte dranck in een vergulden vat,
Die door haer schoonen glants bedrieght, (dat zonder
vreesen)
De Mensch in plaets van wijn drinckt in veninich nat.
Het wanckel Avontuer, met haer gevlerckte Ronde
Is buyten dese school gesloten en geschut,
De geyle Minne-moer (die vlammich is van monde)
Met heur deur-valsche Soon, heeft hier haer hooft gestut.
IV.
Wel-sprekentheyt is Suster van de wijsheyt.