$ TEXT_EXPL_XML
XIIII.
Ghy Voghel, die daer noyt voor Iovis blixem swicht,
Hoe sit ghy met u vrucht in 's werelds oogh te
proncken?,
En bakert vast u lijf, en flickert u gesicht,
Of wout ghy Phoebi lamb vermaken met u loncken.
Ach neen dit is de steen van mijn beproefde toetse,
Daer op ick mijne stam en mijnen adel strijck,
Die ick veel hogher keur, als Venus gulden koetse,
Daer med'zy voor Iupijn of niemant neemt de wijck.
De groote Fackel moet mijn afkomst openbaeren,
En brenghen voor den dagh den welgeboren aerd,
Van mijn doorluchtigh hert : die niet kan vaste staeren,
Ick als een bastaerd vrucht verwerpe metter vaerd.
,, Soo moet een vroom gemoed zijn altijt recht bevon-
den,
,, En aen der Sonnen proeff met vlijt gekeuret zijn,
,, Niet vlieden 't dagelicht (als uylen vals van gronden),
,, Waer by d'oprechticheyt magh recht gespeuret zijn.
XIIII
De Sonne verdrijft de duysternisz..