$ TEXT_EXPL_XML
XXI.
REcht vry u spitsen en u onbeweeghde suylen,
Bout u swaerlijvigh werck ten hemel konstigh op,
Delft bergen moylijck wegh, graeft grondeloose kuylen,
En giet u een Coloss met een verheven kop.
Metst om 't prat Babylon vast u semente muyren,
Welft vry Dianae Kerck, muyrt vast Mausoli graf,
En klutst aen Iovis beeld: bedrijft slechts vreemde kuyren:
U maght en mogentheyd is maer als vluchtigh kaf.
Ghy Princen die u Rijck doet met den Scepter davren,
Door u ontsiend geweld doet 't siddren u gemeent,
Onwinnelijck Monarch ! wilt ghy noch hogher klavren,
Hoe moedigh en hoe trots, ghy wort doch al verkleent.
,, De waere wijsheyd komt hoogh uut den hemel
dalen,
,, Verwinster des Fortuyns, voorseghster van het goet,
,, Werpt al u kracht te neer en al u ijdlijck pralen,
,, Want zy heeft alle dinck, vertreeden met de voet.
XXI.
Wijsheyd gaetet al te boven.