$ TEXT_EXPL_XML
XXVII.
HOe staet ghy soeten Sul dus heel en al verslagen,
Weet ghy nu geenen raed,ist nu met u gedaen?
Nu met beyd' handen ghy den kop krauwt,en met klagen,
Beweent u sotte daed,die ghy hebt onderstaen?
Wist ghy niet dat het suijr gemengt was met het soete?
Dat by der Bijen seem,den spitsen angel stack,?
Dat dit gewapent heijt m'ontwapent niet gemoete,?
Dat niemant laet zijn rijck ontroven met gemack?
Neen, neen, de wellust is gekoppelt by de smerte.
Met eenen vasten strick van herden Diamant,
Al had ghy al de vreughd van u ontbonden herte,
Soo staet de droefheyd doch gheboyt aen dijne handt.
Die van Cupido wil der Bloemen mergh ghenieten,
En wesen niet verdacht op Liefdes bitter nat,
En dat de Minne komt met galle en honigh vlieten,
Die is zijns levens moede, en goede daghen sat.
,, Hout dan in u gedacht,dat d'avont volgt den morgen,
,, En dat de duysterheyd volght 't heldre Sonneschijn,
,, Dat yder dach (o Mensch!) moet voor het zijne sorgen,
,, Dus moet met rou en vreughd ons slijtsaem leven zijn.
XXVII.
Die de Rose wil plucken moet lijden dat hem de
doornen steken.