$ TEXT_EXPL_XML
XXXI.
ICk ben te vroom van hert,dat mijn gemoed bewogen
Of tot verraderij sou werden omgekeert,
Of ghy de Burghers van Valisco hebt bedrogen,
Zij sullen door dien lust, niet werden overheert.
Ick heb met mijne macht omcingelt haere vesten,
Met mijn gewapent heyr besloten haere stadt:
Mijn onvertsaeght gemoed salt wagen tot den lesten,
Want door Stantvasticheyd,soo zijn de wallen plat.
Ey sno bedrieger! valsch is dijne ziel bevonden,
Die hebt dees teere Ieughd,haer ouders droef ontrooft,
Op dijn vervloeckte rugh zy dijne handt gebonden,
En dijn huyd sal van haer met roeden zijn doorklooft.
Gaet heenen nae dijn stadt, gegeesselt tot belooningh,
Van dijne trouwe daed die du hebst onderstaen.
Gaet trouweloosen gaet,dit sal dy zijn een krooningh,
En loon van 't heerlijck feyt dat du hebst aengegaen.
,, De Eer en Reedlijckheyt heeft hier de stadt gekregen,
,,En meer als flitsen of als slingers neer ghevelt:
,, Die hooghvercierde Vrou komt 't herte soo beweegen,
,, Dat sy Camilli deughd meer achten dan 't gewelt.
XXXI.
Loon na werck.